¶ §MKB
Al een hele poos ben ik voltijd actief in Maaike’s Kanker Bedrijf (MKB). Het is verreweg de meest veeleisende functie die ik heb gehad. Ook werk ik voor de meest veeleisende baas die ik ooit heb gehad. Het is geen gedistingeerde vijftigplusser die achter een mahoniehouten bureau met het grootste gemak ruim vijfhonderd medewerkers aanstuurt, maar een jonge vrouw van begin dertig met zwierende rokken, een laptop op de keukentafel en een ‘klein’ mankementje in de vorm van een hersentumor. Kortom, ik sta zelf aan het hoofd van deze onderneming. En dat terwijl ik nooit de positie van CEO heb geambieerd. Soms krijg je zomaar iets in je schoot geworpen. Graag of niet.
MKB heeft de welbekende P’s: product, prijs, promotie, plaats, aan de kant geschoven en vervangen door de vier B’s: body, balans, beauty, brains. Alleen als deze vier B’s op de juiste wijze worden ingezet, zal MKB een succesvolle organisatie blijven. De bedrijfsdoelstellingen van MKB zijn op geen enkele wijze vergelijkbaar met de doelen van traditionele organisaties. Het bedrijf wil haar marktaandeel niet vergroten met een paar lullige procenten. Het zoekt ook geen nieuwe afzetgebieden over de grens. Een continue uitbreiding van het producten- en dienstenpakket is al helemaal niet nodig. MKB vindt het meer dan genoeg om één tumor in bedwang te houden. Dat is niet voor niets de
core business van het bedrijf.
MKB heeft naast de CEO geen medewerkers, maar wel deskundige sponsoren. Familie en vrienden die altijd bereid zijn om de handen uit de mouwen te steken op de momenten dat MKB ten onder dreigt te gaan aan spanningen, oververmoeidheid of de gespannen arbeidsmarkt. Zij zorgen ervoor dat MKB altijd kan handelen volgens haar eigen bedrijfsprincipes en het volgende mission statement:
"Met behulp van zeeën vol liefde, energie, kracht en positiviteit wil MKB de groei van de kwaadaardige, hooggradige tumor in de kiem smoren. Op die manier profiteert MKB van maximale ondernemingsvrijheid."
Ik ben van plan om nog lang voor MKB te blijven werken. Behalve als de core business in de toekomst - bijvoorbeeld door de uitvindig van een wondermiddel - verschuift van stabilisatie, naar totale eliminatie. Dan heeft MKB geen bestaansrecht meer. Als dat aan de orde zou zijn, dan zou ik het bedrijf failliet verklaren en een nieuwe onderneming oprichten. MGHO: Maaike’s Gezonde Hoofd Organisatie. Mogelijk nog winstgevender.
¶ §Net een felrode cabriolet
‘Wat heb je aan je ogen?’, vraagt de fietsverkoper.
‘Een hemianopsie’, antwoord ik. ‘Dat is…’
Hij valt me in de rede. ‘Ik weet wat het is’, zegt de fietsverkoper. ‘Dat heeft een vriendin van mij ook. Ze heeft een hersentumor. Erg hé? Na maandenlang hoofdpijn vielen plotseling haar organen uit, maar nu gaat het goed hoor.’ Hij zucht diep.
Met een fietsstuur in mijn handen luister ik naar mijn eigen verhaal. Soms heb ik het gevoel dat ik de enige ben die ziek is. Dat vind ik egoïstisch. Misschien is mijn blik te veel naar binnen gericht. Een simpel bezoekje aan de fietsenwinkel maakt dat duidelijk.
Een paar minuten later rij ik een beetje onwennig naar buiten op een tweedehands Gazelle Impala uit 2006. De fiets heeft een extra stabiele zit dankzij een verende zadelpen, de instap is lager en de lampen gaan automatisch aan als het donker wordt. Het is een ideale fiets voor senioren, maar dat maakt niets uit. Als ik op het zadel zit, voel ik me zeker.
Ik ben minder lui, dan ik me voordoe. Hoewel ik nog steeds niet naar de sportschool ben geweest, heb ik na mijn bezoekje aan de fietsenwinkel een aanzienlijk aantal kilometers gefietst. Liever was ik met een felrode cabriolet in één ruk naar Frankrijk gereden om op felrode pumps over de boulevard van Saint-Tropez te wandelen, maar dat is een paar landen te ver. Op hoge hakken lopen, gaat ook niet meer zo goed.
In plaats daarvan heb ik met de Gazelle over de Waaldijk getoerd. De wind als een föhn door mijn steeds vollere haardos laten waaien. Vlakbij het dorp Ophemert staat een eikenhouten bankje op de dijk. Vanaf daar heb ik een tijdje naar de rivier gestaard, mijn gedachten samen laten smelten met het kabbelende water. Even was er rust. Even lag ik in een witte bikini op een strand aan de Franse Rivièra en was er niets aan de hand. Totdat een pijnscheut door mijn hersenpan trok. Mijn hoofd is nooit leeg genoeg.
Tot slot: mijn neus is nog pijnlijk, maar staat niet scheef.

¶ §Mijn neus gebroken
Waarschijnlijk loop ik nog een keer tegen een lantaarnpaal op en breek ik mijn neus, dacht ik pas. Lantaarnpalen verdwijnen nog steeds te vaak uit mijn gezichtsveld en komen weer in beeld als ik er al tegenaan ben gebotst. Dat is lastig en maakt me onzeker. Soms voel ik me in mijn eigen buurt als een toerist die zich in een onbekende metropool niet meer kan oriënteren, omdat de verkeerschaos zijn zintuigen de baas is. Maar de meeste ongelukken gebeuren meestal binnenshuis en daar staan geen lantaarnpalen.
Ik ben bij mijn moeder om koffie te drinken. Nonchalant loop ik van de woonkamer naar de keuken om een pen te pakken. Op hetzelfde moment huppelt mijn moeder van de keuken naar de woonkamer. En dan botsen we met onze hoofden tegen elkaar… Ik voel een felle pijn en hoor een krakend geluid, alsof iemand een potlood doormidden breekt. ‘Was jij dat?’, vraag ik aan mijn moeder. Ik kijk op en zie geen bloedspatten of een gebroken schedel. ‘Nee, volgens mij was jij het', antwoordt ze. Ik betast mijn gezicht met trillende vingers, de pijn wordt erger. Snel ren ik naar een spiegel om de schade op te nemen. Links naast mijn neus verschijnt een vreemde bobbel en een kleine bloeduitstorting. In gedachten geef ik een ferme trap tegen een onzichtbare lantaarnpaal. Zo langzamerhand lijk ik steeds meer op een gepensioneerde profbokser.
Een half uur later zit ik bij de reservehuisarts. Hij pakt mijn neus stevig vast met zijn duim en wijsvinger. ‘Doet dit pijn?', vraagt hij. ‘Wat denk je zelf’, wil ik antwoorden, maar slik mijn woorden in. Als iemand je gekwetste neus in de houdgreep heeft, dan kun je beter niet bijdehand doen. ‘Ik vermoed’, zegt de reservehuisarts, ‘dat het tussenschotbeentje is gebroken.’ Opeens moet ik denken aan een horrorbeeld uit mijn jeugd. In de wachtkamer van de KNO-arts zat een man met een enorme bloemkoolneus en twee met bloed doordrenkte tampons in zijn neusgaten. Iets gruwelijkers had ik als vijfjarige nog niet gezien. De man had zijn gebroken neus laten repareren. Als ik maar nooit mijn neus breek, dacht ik toen.
‘Ik doe er niets aan’, zegt de reservehuisarts, nadat hij zorgvuldig mijn gezicht bestudeerd heeft. ‘Dit soort breuken geneest meestal vanzelf.’ Ik kan hem wel kussen. ‘Houd er thuis maar een tijdje een ijszak tegenaan en als hij morgen erg scheef staat, kom dan volgende week maar even terug. Een uur later houd ik verkrampt een ijszak tegen mijn gezicht. De blauwe plek wordt groter, maar mijn neus staat recht.
Toch kan ik ’s nachts niet slapen. Ik zie mezelf door het leven gaan met een aubergine op mijn gezicht, die nog scheef staat ook. Als ik eindelijk in slaap val, droom ik over de man met de tampons in zijn neus. Direct nadat het eerste straaltje daglicht mijn slaapkamer binnendringt, strompel ik naar de spiegel om naar mijn neus te kijken. Hij ziet er redelijk normaal uit. Alleen iets dikker dan gebruikelijk. Dat komt door de zwelling. Ik zie geen aubergine en lijk maar een klein beetje op een profbokser. Nu maar duimen dat het niet erger wordt.
Voor de duidelijkheid: iedereen die mij de komende dagen Maaike Tyson noemt, krijgt een dreun. Ik pas me in ieder geval moeiteloos aan deze situatie aan.
¶ §Cancer babe
Ik moet elke dag naar buiten van mezelf om iets actiefs te doen. Fietsen, wandelen, winkelen, of op het terras zitten, het maakt niet uit, als ik maar frisse lucht inadem. Maar vandaag heeft de regen mijn balkon omgetoverd tot een privé-zwembad en vind ik het een beter idee om binnen te blijven.
Als ik de televisie aanzet, is Oprah net begonnen. ‘Als je weet dat je dood gaat, hoe besteed je dan je tijd, wat zeg je tegen de mensen die je liefhebt, hoe leef je dan?’, vraagt Oprah zich af. Vervolgens betreed ik, op een toch al grijze dag, de terminale kankerwereld van iemand anders. Gezellig.
Oprah praat met model, actrice, fotografe en filmmaakster Kriss Carr. Deze 35-jarige Amerikaanse heeft vier jaar geleden ontdekt dat ze een zeldzame vorm van kanker heeft die niet te genezen is. Ze heeft een film gemaakt en een boek geschreven over het gevecht tegen haar ziekte. Beide dragen de titel
Crazy, Sexy, Cancer.
‘Er zijn geen ontsnappingsmogelijkheden’, vindt Kriss. ‘Kanker bestrijden, is een fulltime baan. Ze laat de scans zien van de tumoren op haar lever. Haar
'beauty spots'. Ze lijken op de sneeuwbal die in mijn hoofd zat, maar nu even gesmolten is. Hopelijk valt er deze winter weer geen sneeuw.
Kriss weet zeker dat haar positieve houding, in combinatie met haar gezonde levensstijl, bijdraagt aan het gunstige verloop van haar ziekte. Oprah laat zien hoe Kriss yoga-lessen volgt, mediteert en een cocktail maakt van witlof, peterselie en selderij. Er ontstaat een gifgroen drankje dat ze even later, om het toch een beetje
funky te maken, opdrinkt uit een wijnglas. Het is haar dagelijkse ontbijt. Vroeger dronk ze vooral martini’s, nu groentesap. Ik trek een vies gezicht.
Wat me fascineert aan Kriss is haar instelling. Ze is meer dan, zoals ze zelf zegt, een
cancer babe. Ze is een jonge vrouw met verlangens, behoeftes en ambities. Dat draagt ze uit met haar boek en film. Ik deel haar visie. Kriss is een jonge vrouw met kwaadaardige tumorcellen in haar lijf. Net als ik. Kanker is beslist een belangrijk onderdeel van een mens als je het eenmaal hebt, maar een mens bestaat nooit alleen uit kanker. Misschien probeer ik dat ook wel te vertellen via dit weblog. Alleen de gifgroene drankjes laat ik veiligheidshalve achterwege.
Het interview van Oprah met Kriss kun je hier bekijken. Het was vorige week op televisie in NL.
¶ §Pinguïnpak of Drill Instructor?
De afgelopen weken heb ik op zijn minst drie mensen teleurgesteld. Allereerst vriendin M. Ten tweede de Drill Instructor en ten derde vriendin H. In sommige noodsituaties ben ik een slechte vriendin. Met een noodsituatie bedoel ik in dit geval het strakke sportschoolregime dat sommige mensen aan mij op willen leggen, in combinatie met een virtuele, sportieve activiteit in een pinguïnpak.
Ik zit op het terras in de zomerzon en dan loopt de Drill Instructor langs. Hij heeft zijn dochter bij zich in een buggy. Ze heeft klompjes van plastic aan. Snel zet ik mijn grote filmsterbril op, maar het is al te laat. De Drill Instructor heeft me gezien. Hij zegt me vriendelijk gedag en dan begint hij over een leuk programmaatje dat hij voor me heeft samengesteld in de
sportschool. Dat is
realy bad news.
Ik ken de leuke programmaatjes van de Drill Instructor. Het heeft te maken met stormbanen, tijgeren door ondergrondse gangetjes en fierljeppen over stadsgrachten, maar dan binnen de muren van de sportschool. De leuke programmaatjes van de Drill Instructor zijn niet te doen voor vrouwen die al twee jaar niet meer hebben gesport. Zelf breng ik ‘vechten tegen een kwaadaardige tumor’ onder in de categorie olympische marathon in Peking, maar dat geldt niet voor de Drill Instructor. Daarom heb ik het
Smoezenboek nodig.
‘Morgen kan ik echt nog niet sporten hoor’, zeg ik tegen vriendin M. ‘Ik ben een sportschoen.’ kwijt. En op één schoen fitnessen, dat gaat dus niet.’ Het is de halve waarheid, maar vriendin M. trapt erin. Ze wil ons gezamenlijke sportschoolbezoek uitstellen tot na haar vakantie in Griekenland en dus heb ik nog even rust. Mijn niet heus. Ook vriendin H. heeft nog iets voor me in petto.
Als we onderweg zijn naar Scheveningen om te lunchen in een strandtent begint ze dolenthousiast over haar nieuwe liefde: Nintendo Wii Fit. Dat is een soort spelcomputer waarmee ze digitaal - met behulp van een Balance Board - haar conditie oppoetst. Van de week balanceerde ze met haar virtuele evenbeeld op een ijsschots in een pinguïnpak. ‘Dat is zo enig. Het is echt iets voor jou en je wordt er superfit van. Kom het van de week maar even proberen’, zegt ze. Ik haat koude voeten.
Nu moet ik dus kiezen uit twee kwaden. Of balanceren op een ijsschots in een pinguïnpak. Of me onderwerpen aan het militaristische regime van de Drill Instructor. Ik moet er nog een
paar heleboel nachtjes over slapen.
¶ §Gevoelige snaar
Hersentumoren zijn stiefkindjes onder de tumoren. Naar verhouding wordt er weinig onderzoek gedaan naar de genezing ervan. Tot nu toe kan de groei van de kwaadaardige cellen al worden geremd, maar vernietiging van de cellen is nog steeds niet permanent mogelijk. Er is onvoldoende geld voor onderzoek en de onderzoekers zelf hebben andere belangrijke dingen te doen. Bijvoorbeeld een viool in een CT-scanner proppen.
Onderzoekers van het Leids Universitair Medisch Centrum hebben samen met een vioolbouwer uit de Verenigde Staten een CT-scan gemaakt van een Stradivarius. Daardoor weten ze nu dat de dichtheid van het hout waarschijnlijk het prachtige geluid veroorzaakt dat het (een beetje oneerbiedig) ding voortbrengt. Een volgende stap is hoogstwaarschijnlijk goedkope nep-Stradivariussen produceren die dezelfde geluidskwaliteit hebben als hun beroemde voorbeeld, maar dus een stuk voordeliger zijn.
Ik hou veel van vioolmuziek. Vioolmuziek kan niet mooi genoeg zijn. Een muzikale zesjarige die op koninginnedag in het Vondelpark zijn kunsten laat horen en een trotse moeder die geld ophaalt in een plastic koffiebeker, het heeft wel wat. Ook de goedlachse, Bulgaarse violist die voor de ingang van een supermarkt een vrolijk wijsje speelt, zelfs als het regent, krijgt regelmatig wat kleingeld van mij. De melancholie, de triestheid en aan de andere kant de vreugde van het instrument, zijn wat mij betreft ongeëvenaard. Maar hoe optimaal en loepzuiver het geluid ook is, je redt er geen levens mee.
Onderzoeksprioriteiten zouden ergens anders moeten liggen, zodat ik en heel veel anderen niet tot in de eeuwigheid tevergeefs blijven wachten op een wondermiddel. Een ander recent onderzoek wijst uit dat de
Donald Duck het meest gelezen tijdschrift is onder studenten. De studenten van nu zijn de wetenschappers van morgen. Het belooft niet veel goeds voor de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek in de toekomst. Ik denk dat de tumor en ik nog wel een tijdje tot elkaar veroordeeld zijn. Het is een schrale troost, dat het jongetje in het Vondelpark straks op een nep-Stradivarius zijn kunsten ten gehore brengt. Het raakt bij mij een gevoelige snaar.
¶ §Jan (4 juli)
Kleine Jan, kom d'r beej
Kleine man, kom bij meej
- Rowwen Héze, Kleine Man -
Een paar jaar geleden kwam ik per ongeluk terecht in een feesttent. In die feesttent lalden duizend boeren mee met de Limburgse band Rowwen Héze. Ook deden de boeren aan pogo-en. Dat wil zeggen: in het wilde weg slaan, bijten, schoppen en keihard tegen elkaar aan beuken. Het is heel leuk dat pogo-en, vooral als je hoge hakken aan hebt. Ik had daarom de avond van mijn leven. Wie wil er nou niet in één minuut 135 glazen bier over zijn hoofd krijgen? Bier is tenslotte goed voor je haar.
Wat Rowwen Héze die avond gezongen heeft, weet ik nog heel goed. Het ging over een roeiend kleed. Dat vond ik maar vreemd: ‘een roeiend kleed’. Ik had wel van een vliegend tapijt gehoord, maar een roeiend kleed was nieuw voor mij. Ik vroeg me af in welk sprookje het voorkwam, maar daar gaven de Limburgers geen antwoord op.
Een paar dagen later ging ik op bezoek bij mijn ouders en daar lag een cd van Rowwen Héze op tafel. Mijn vader loste voor mij het mysterie rondom het roeiende kleed op. ‘Het is geen roeiend kleed’, zei hij, ‘maar een roeie klied, dat is gewoon een rode jurk. Het liedje gaat over een meisje in een rode jurk.’
Je erft niet alles van je ouders. Mijn vader hield van Rowwen Héze en ik niet. Ook hield hij van wielrennen en ik niet. Hij volgde elke Tour de France van de proloog tot en met de laatste bloedstollende massasprint op de Champs-Élysées en zat tijdens elke beklimming van de Alpe D'Huez op het puntje van zijn stoel. Rowwen Héze en de Tour de France vormen samen de ingrediënten voor (weer) een mooi
toeval.
Vandaag is het exact drie jaar geleden dat mijn vader is gestorven en 59 jaar geleden dat hij is geboren. Precies vandaag brengt Rowwen Héze de nieuwe singel
Nar Boave uit. Een ode aan wielrenner Jan Janssen die veertig jaar geleden de Tour de France won. Voor mij is dit nummer echter geen eerbetoon aan een legendarische wielrenner, maar een ode aan een andere man die ook Jan heet en erg veel van fietsen hield: mijn vader.