¶ §Sta-op-stoel
Door de
bouwvakkerspillen waren mijn benen niet langer gevuld met spieren, maar met appelmoes. Ik kon zonder hulp niet opstaan uit een stoel en enkel met heel veel moeite zelfstandig omhoog komen van het toilet. Een trapje van drie treden was te hoog. Zo ondervond ik als amper 32-jarige een korte periode wat veel 82-jarigen elke dag ervaren: hulpeloosheid en afhankelijkheid van anderen.
Nadat ik stopte met de bouwvakkerspillen kreeg ik snel een groot deel van mijn kracht terug en daarin onderscheidde ik me direct van veel ouderen. Zij worden nooit meer sterker dan ze zijn. Daarom zijn er voor hen allerlei hulpmiddelen die het leven gemakkelijker maken, zoals de sta-op-stoel. Dat is een stoel met een kantelmechaniek waarmee ouderen of gehandicapten zich gemakkelijker, en zonder hulp, uit een stoel kunnen verheffen.
Een paar uur voor de wedstrijd Nederland Rusland word ik op de fiets ingehaald door een kwieke dame van op zijn minst 85 jaar in een scootmobiel. Op haar hoofd draagt ze een pruik met rode en blauwe vlechten en een hoge oranje hoed. Aan het stuur van de scootmobiel fladderen twee oranje vlaggetjes en op haar gezicht prijkt een grote glimlach. Ik zie direct voor me hoe dezelfde dame thuis moeizaam haar schoenen uitdoet, een advocaatje met slagroom maakt (want ook een soort oranje) en vervolgens in haar sta-op-stoel ploft om met de voeten op tafel naar de wedstrijd te kijken. Als het publiek
Sta op als je voor Holland bent zingt, veert ook zij, piepend en krakend op uit haar speciale stoel om haar team aan te moedigen.
Niet als het aan minister Klink ligt. Hij schrapt de sta-op-stoel, uit het basispakket van de ziektekostenverzekeringen. Zo’n stoel is volgens hem slechts 400 euro. Dat is niet veel duurder dan een normale fauteuil en dus voor iedereen betaalbaar. Het is lang geleden dat Klink bij Ikea is geweest. Veel alleenstaande ouderen moeten rondkomen van ongeveer 1.000 euro netto per maand (een klein pensioen plus AOW). Dan is een uitgave van 400 euro een pittige investering.
De laatste tijd ben ik anders naar dingen gaan kijken. Ik blader niet langer nonchalant door de krant, maar verwonder me als een klein kind over de meest onschuldige, korte berichten. Eerder zou ik me nooit druk hebben gemaakt over een sta-op-stoel. Ik wist niet eens wat het was. ‘Ziekte maakt de mens bewuster’, zegt men. In mijn geval klopt het.
¶ §Kreng
Soms ben ik overmoedig en daarin lijk ik op de meisje-meisjes van Oranje die ook denken dat ze al gewonnen hebben, als de wedstrijd nog niet is gespeeld. Mijn driestheid uit zich vooral in het verkeer. ‘Ik kan best dwars door het centrum fietsen met mijn slechte ogen’, zeg ik tegen mijn moeder door de telefoon. ‘Je hoeft je geen zorgen te maken, ik doe dat zelfs geblinddoekt, met losse handen en op één wiel.’ Een half uur later lig ik op straat bovenop mijn fiets, mijn voet zit klem tussen het frame en mijn rok is zover omhoog geschoven dat alle voorbijgangers mijn kanten onderbroek kunnen bewonderen. Dat geldt ook voor de medewerker van de Rabobank die mij vriendelijk omhoog helpt. Gelukkig hoor ik zelf bij een andere bank en kom ik hem niet tegen als ik een lening moet afsluiten of zoiets.
Als ik verder wil rijden, maakt mijn fiets het geluid van een pruttelend koffiezetapparaat. Dat is niet best, een fiets die klinkt als een pruttelend koffiezetapparaat. Ik ontdek snel dat de trapper niet goed meer functioneert en ik besluit te gaan lopen. Als ik net de hoek om ben met mijn koffiezetapparaat, houdt een potige man, gekleed in een bermudabroek en op surfsandalen, me tegen. Hij heeft vast zin in koffie.
‘Laat mij eens kijken naar die fiets?’, gebiedt hij. Ik laat hem zien wat er aan de hand is. ‘Je moet gewoon een keiharde trap tegen de kreng geven,’ zegt hij. ‘Dan doet hij het wel weer’. Hij wijst naar de trapper. ‘Zelf doe ik het niet hoor, want ik heb de verkeerde schoenen aan’, aldus de potige man. Dan sloft hij weg op zijn sandalen. Ik heb niet eens gevraagd of hij suiker of melk wil.
Waar kom je ze nog tegen, redders in nood die hun sandalen niet willen beschadigen. De kans is klein dat hij straks verschijnt als superman, dus probeer ik zelf met mijn pump een ferme trap te geven tegen de kreng, waar dat ding ook mag zitten; het kan ook gewoon het Betuwse equivalent voor kettingkast zijn. Het enige resultaat is dat mijn hak bijna breekt. ‘Kreng!’, roep ik hard naar de fiets. Ik moet nog naar huis lopen en staak mijn agressieve poging. Eerlijk gezegd lucht het op om ergens snoeihard tegen aan te trappen. In mij huist een vandaal in de dop.
Drie kwartier later ben ik thuis, smijt de fiets in de schuur en strompel drie trappen op. Het liefste was ik de op de onderste tree gaan zitten om mijn ogen uit mijn kop te janken. Het lijkt zo stupide een val met de fiets, maar ik moet nu opnieuw mijn fietsangst overwinnen. Ik was juist zo blij dat ik me, ondanks de
hemianopsie, weer wat vrijer, solo in het verkeer durfde te bewegen.
Dan zie ik de verte mijn buurman lopen. Hij heeft geen sandalen aan. Misschien kan hij me op weg helpen. Morgen moet en zal ik weer fietsen. Anders durf ik nooit meer. Dit is een angst die ik kan, nee moet, overwinnen. Fietsen is kinderspel, met of zonder hemianopsie, ik bedoel gehavende kreng.
¶ §Voetballers zijn net meisje-meisjes
Ik heb nu alle tijd om de verrichtingen van alle EK-teams op de voet te volgen. Dat wil wat zeggen over de manier waarop ik mijn dagen doorbreng op dit moment. Nutteloos. De belangrijkste conclusie die ik na twee weken Europees Kampioenschap kan trekken is: échte mannen zijn dungezaaid op het EK.
Met heimwee denk ik terug aan de tijd waarin bulldozers als John de Wolf domineerden op de grasmat. Voetballers die een paar venijnige overtredingen niet schuwden en voetballers die wisten hoe ze feest moesten vieren na een doelpunt. Dat wil zeggen als beesten bovenop elkaar gaan liggen en de doelpuntmaker gemoedelijk fijn pletten. De doelpuntenmaker zelf rende vervolgens wat dizzy met zijn T-shirt over zijn hoofd over het veld en ging daarna samen met zijn ploeggenoten in polonaise naar de kleedkamer. Daar begon de feestvreugde pas echt: in elkaars shampoofles urineren en voor de camera de (toen nog) minuscule sportbroek van een collega naar beneden trekken, was de normaalste zaak van de wereld. Sinds John de Wolf zijn soepele heupen liet swingen in
Dancing with the Stars, is er echter weinig over van mijn illusie dat voetballers echte mannen zijn. Voetballers zijn net meisje-meisjes.
Dit EK maakt dat overduidelijk. De voetballers van Oranje worden vergeleken met ‘hertjes die lichtvoetig over het veld dartelen’. Ze lenen voor de wedstrijd elkaars tondeuse, zodat de haartjes gedurende elk duel perfect in militaristische stijl blijven zitten. Een ‘stoere’ Italiaanse voetballer van wie ik de naam niet ken, heeft een dolfijntje op zijn bicep getatoeëerd. Van oorsprong Poolse voetballers die voor Duitsland uitkomen, doen aan ‘gepast juichen’, waarbij ze na een doelpunt met ontrouwe hondenogen in de televisiecamera’s kijken en berouwvol ‘sorry’ zeggen tegen hun vaderland Polen.
Het maakt niet uit hoe je voetbalt, als je maar lief blijft, is hun credo. Edwin van de Sar heeft nog net geen keeperstas van Louis Vuitton.
Als deze tendens zich voortzet, dan denk ik dat de opvolger van Marco van Basten, Bert van Marwijk, geen bondscoach meer is in 2012. In zijn plaats zal Catherine Keijl als trainer langs de lijn staan. Leco van Zadelhoff mag mee alsmateriaalman en Klaas-Jan Huntelaar wordt in de kwalificatieronde hoogstwaarschijnlijk van het veld gestuurd, omdat zijn nepnagels te lang zijn. Ook de toeschouwers passen zich moeiteloos aan dit ‘voetbal nieuwe stijl’ aan. De spreekkoren scanderen niet langer:
Luca Toni is een homo, of (ik blijf netjes)
Hij is een hondenpiemel, maar
Van Nistelrooij wat zit je haar leuk.
Ik ben benieuwd of ik dit nog mag meemaken.
¶ §Vlinders
Een aantal weken voor het overlijden van mijn vader spraken mijn ouders een teken af. Als het na zijn dood goed met hem zou gaan, dan zou hij wel een paar vlinders sturen. Voor mijn vader was dat een opmerkelijke belofte, omdat hij als overtuigd en nuchter atheïst niets van een leven na de dood wilde weten. Dood is dood.
Direct na mijn vaders crematie kreeg mijn moeder van een vage kennis een zilveren broche in de vorm van een vlinder. Die kennis was niet op de hoogte van de geheime afspraak tussen mijn ouders. ‘Ik weet niet waarom ik de broche nu aan je geef’, zei ze tegen mijn moeder, ‘maar ik heb een sterk gevoel dat ik het móet doen. Dat gevoel komt van buiten mezelf.’
Een week later zit mijn moeder, uitgeput van de zware emoties, in de zon in de achtertuin. Op haar been strijkt een bontgekleurde vlinder neer die ze nooit eerder heeft gezien. De volgende dag verschijnt de vlinder opnieuw. Weer zoekt hij mijn moeder op, landt een paar seconden op een oranje lelie en daarna vliegt hij de tuin van de buren in om nooit meer terug te keren. Was dit de onzichtbare hand van mijn vader? Of gewoon toeval?
Ik moet hier plotseling aan denken, als ik in een lange rij sta bij de drogist. Het is veel drukker dan normaal. ‘Dat komt door vaderdag’, zegt een vrouw die voor me staat in de rij. ‘Iedereen moet op het laatste moment nog wat kopen.’ De verkoopster plakt op elk cadeau een vlinder van zilverpapier. Zo fleurt zij de flessen douchegel, aftershave en herenparfum op. Ik wacht geduldig tot ze klaar is en moet bekennen, dat ik helemaal niet aan vaderdag heb gedacht.
‘Jij moet een engeltje op je schouder hebben’, zei een collega tegen me, nadat ik onlangs weer goed nieuws kreeg van de dokter. Maar ik voel zelf dat het geen engeltje is; het is iemand anders die nog altijd rondfladdert in mijn hoofd en mij regelmatig een onzichtbare knuffel geeft. Al is het enkel maar in mijn herinnering.
¶ §Winterwortel of oranje wimpel - ander haar
De leerling-kapper is klein, donker en gespierd. Hij heeft een strak zwart T-shirt aan waarin zijn torso uitstekend tot zijn recht komt. Hij luistert naar de naam Just. Als Just mijn haren wast, zie ik in de spiegel tegenover mij dat zijn spierballen zich spannen. Hij verdeelt de shampoo stevig over mijn schedel en dat bevalt mij prima. Ik voel me verlegen door het enorme litteken dat huist onder mijn korte haar.Op sommige plekken zijn mijn lokken bovendien erg dun. Voor de kapper kan ik mijn gehavende hoofd moeilijk verborgen houden. Misschien denkt Just dat ik een bloempot op mijn hoofd heb gekregen, of dat ik een ferme aanvaring heb gehad met de wapenstok van een boze politieagent. Maar Just houdt discreet zijn mond. De beroepsethiek van een kapper.
‘Weet jij nog welke kleur zij de vorige keer had?’, vraagt Just aan zijn bazin.
‘Een combinatie van B19, R.05 en een accent B.06’, antwoordt de bazin.
'Juist', herhaalt Just.’ ‘Een combinatie van B19, R.05 en een accent B.06.’
Ik heb er alle vertrouwen in dat het in orde komt en dat mijn haar straks net iets bruiner is, dan de natuurlijke kleur. Iemand die zo’n hoofdhuidmassage in huis heeft, kan heus wel een paar kleurtjes mengen. Ik bekijk mijn gezicht in de kappersspiegel. Het bevalt me weinig wat ik zie. Nog steeds voel ik me diep ongelukkig als ik dankzij een etalageruit of bushokje, onverwacht wordt geconfronteerd met mijn eigen spiegelbeeld. Ik ben het niet meer. Ik ben iemand anders, een kankerpatiënt die toevallig ook Maaike heet en die ergens in de verte op mij lijkt.
Just gaat aan de slag. Hij mengt wat kleuren verf in een kunststof kommetje en spreekt ondertussen de bezweringsformule uit. Een samenspel van abracadabra, en de stelling van Pythagoras: ‘B19, R.12 en een accent B.06.’ In zijn mengkom ontstaat een oranje papje dat onheilspellend oogt, maar soms veranderen kleuren compleet als ze eenmaal op je hoofd zijn aangebracht. Just doopt zijn kwast erin en wil de smurrie op mijn hoofd smeren. ‘Just’, roept de bazin, 'Het is geen R.12, maar R.05. Straks is ze knalrood. Of oranje.'
Zo voorkomt de bazin dat ik de kapsalon verlaat met haren in de kleur van een winterwortel of een oranje wimpel. Dat laatste was wellicht handig geweest. Dan zou ik morgen tijdens Nederland-Frankrijk geen passende outfit nodig hebben. Om in de voetballerijsfeer te blijven:
Elk nadeel heb zijn voordeel (Johan Cruyff).
¶ §Oranjekoorts
Nonchalant zet ik mijn fiets in een rek bij Albert Heijn. Ik wil een staatslot kopen, omdat de megajackpot ditmaal echt voor mij is. Het is nog steeds mijn enige kans op een huisje in Spanje inclusief een royale tuin die uitkijkt over wijngaarden en daarin een rustieke tuintafel met tien vrienden eromheen die samen vrolijk vino tinto of huisgemaakte sangria drinken. Vorige maand had ik wéér geen prijs in de loterij. In plaats van een goedgevulde bankrekening, kreeg ik wel een voetbalveld cadeau met insteekkaartjes van Nederlandse voetballers en een namaaktatoeage van Dirk Kuijt (Katwijk 1980). Tenminste, nader onderzoek leerde mij dat het hier om Dirk Kuijt ging, want ik heb natuurlijk geen verstand van voetbal. Ooit haalde ik een boek over dit spelletje uit de bibliotheek en leerde hiermee in een uurtje de buitenspelregels van buiten. Mijn vader wilde daarover nooit uitleg geven, omdat ik een meisje was en meisjes snappen toch niets van voetbal. Dames laat je niets wijsmaken, want de buitenspelregels zijn echt niet zo moeilijk als het lijkt. Dit terzijde.
Na de aankoop van het staatslot loop ik naar de groentenafdeling. Althans dat probeer ik. Het gangpad is geblokkeerd door een enorm plasmascherm met in beeld een grote zingende mijnheer die ik nog ken van de Wuppies. Hij zingt nu het Welpie Lied. Dat is bij Albert Heijn het hoogtepunt van de oranje-merchandising. ‘
Alle Welpies helpen, we plakken ons wild. Geluk voor Oranje, heel Holland slaat op tilt’', zingt hij. En ik ook de rest van de dag. Met de nodige moeite verzamel ik de ingrediënten voor mijn Pasta Amatriciana en onderdruk de neiging om met mijn boodschappenwagen keihard de televisie omver te beuken. In mij huist een ware hooligan. Gelukkig krijg ik bij mijn wasmiddel een extra Welpie, wat mijn irritatie verzacht. Dat doet Albert Heijn dus niet voor niets, extra Welpies uitdelen, willen ze nog wat plasma’s overhouden.
Bij de uitgang van de winkel staat een zwerver die mij een krant wil aansmeren. Dankzij zijn verwaaide grijze haar en sjofele kleding lijkt hij sprekend op een witte Welpie. Ik vraag me af of hij deel uitmaakt van het marketingconcept. En dan ren ik zo snel als dat gaat met mijn manke voetje naar mijn fiets, hang mijn tas aan het stuur en rijd weg. Na vijf minuten word ik helaas ingehaald door een kleuter met vijf Welpies op zijn stuur en ik begin spontaan te zingen. ‘
Alle Welpies helpen.’ Bedankt Albert Heijn. Dit zal zich de rest van de dag nog negenduizend keer herhalen.
¶ §Geen ode aan de boskabouter
Op 12 mei, de verjaardag van Florence Nightingale, was het de dag van de verpleging. Daar wilde ik een stukje over schrijven, maar door al het gedoe rondom de scan en de uitslag ben ik het helemaal vergeten. Daarom doe ik het alsnog. Vanwege mijn operatie in 2006 lag ik vijf weken in het ziekenhuis. Eerst op de intensive care en daarna op de medium care. Daar maakte ik kennis met een verpleger die wij binnen de familie, om uiterlijktechnische redenen, de boskabouter noemen. De boskabouter had als taak om mij na mijn operatie in de gaten te houden, maar de boskabouter had andere belangrijke dingen te doen: discussiëren over het ziekenhuisbeleid met collega’s en klagen over de overheid. Ik lag in een ziekenhuisbed met een veiligheidshekje, maar toch deed ik een poging om uit bed te klimmen. ‘Ik heb al dertig jaar zelf gelopen’, riep ik opstandig naar de boskabouter, ‘Dus dan kan ik nu ook wel zélf lopen.’ Onder invloed van morfine ga je rare dingen doen. De boskabouter reageerde niet op mijn geroep en ging verder met zijn klaagzang. Ik sloeg opstandig mijn benen over het veiligheidsrek en belandde bijna met mijn pas geopereerde hoofd op de grond. Mijn broer kon me nog net op tijd redden. ‘Let eens op’, riep hij naar de boskabouter. Kijk nou wat ze doet!’ Maar de boskabouter nam daar geen genoegen mee en gaf mijn broer de schuld. Als hij geen koffie was gaan halen, dan was ik ook niet bijna uit mijn bed gevallen. Chagrijnig hervatte hij zijn discussie.
Een paar dagen later had ik zelf een aanvaring met de boskabouter. Na mijn operatie kreeg ik een katheter in mijn blaas, zodat ik niet in mijn bed zou plassen. Maar door die katheter heb je continu het oncomfortabele gevoel dat je nodig naar de wc moet. Daarom deed ik wederom een poging om uit mijn bed te ontsnappen richting het toilet. De boskabouter was mij ditmaal voor. ‘Maaike jij hoeft niet te plassen,’ riep hij belerend en vooral heel hard. ‘Jij hebt een ka-the-ter in. En dan hoef je dus niet te plassen. Hoe vaak moet ik dat nou nog zeggen. Jij hoeft niet te plassen.’ Het hele ziekenhuis was daarmee op de hoogte van mijn lichamelijke ongemak en ik schaamde me dood. De rest van mijn ziekenhuisverblijf kroop ik veilig onder de dekens zodra ik de verwijtende stem van de boskabouter hoorde.
De boskabouter had ook collega’s. Lieve collega’s die mij op elk moment van de dag voorzagen van eten en drinken en mij een knuffel gaven als ik verdrietig was. Collega’s die ’s nachts naast mijn bed stonden om een praatje met me te maken als ik me alleen voelde. Voor al die collega’s kocht ik, vlak voordat ik het ziekenhuis verliet, een bedankkaart. 'Het valt niet mee', schreef ik op de kaart, 'als je plotseling in het ziekenhuis terechtkomt, maar jullie hebben mijn verblijf en herstel in ieder geval comfortabel gemaakt. Bedankt voor alle goede zorgen.' Op het moment dat ik de kaart aan een collega van de boskabouter overhandigde, zag ik in haar linkeroog een oprechte traan. ‘Ik hang hem op het prikbord’, zei ze. ‘Dan kan iedereen hem zien.’ Daarna liet ze mij alleen.
De boskabouter heb ik na het plasincident niet meer gezien. Misschien heeft hij inmiddels ontslag genomen vanwege het nare ziekenhuisbeleid of de bezuinigingen van de overheid op de zorg. Ik hoop dat hij elders aan het werk is als stratenmaker, figurant in de Efteling, of de stand-in van kabouter Plop, want een carrière in de zorg is voor hem een onjuiste keuze. Soms vraag ik me af waarom mensen voor een beroep kiezen dat totaal niet bij ze past?