¶ §Stabiele scan, stabiel hoofd
Het is niet druk in de wachtkamer van de neuroloog. Dat betekent dat ik direct aan de beurt ben. Samen met mijn moeder en zusjelief lopen we achter de arts aan zijn spreekkamer in. We nemen weer plaats op de ongemakkelijke houten stoelen. Ik heb hoofdpijn van de spanning en een slecht voorgevoel. Alle kleine pijntjes heb ik gevoeld, honderden keren per dag. In boeken las ik tumor in plaats van humor en ik kon geen tijdschrift openslaan of ik kwam wel een zielig verhaal over kanker tegen. ‘Ik heb goed nieuws’, zegt dr. S direct. ‘Op de scan zijn geen veranderingen te zien. Dat is wonderbaarlijk gezien het type tumor dat jij hebt. We komen dit niet vaak tegen. De relatief nieuwe behandelingscombinatie van chemo en bestraling slaat erg goed aan. Hou het op deze manier vol.’
Dat ga ik zeker doen. Ik ben zo blij dat mijn gevoel me ditmaal in de steek heeft gelaten. De goede uitslag is een positieve impuls die ik nu – bijna een jaar na mijn ziekenhuisopname - heel goed kan gebruiken. Het is ontzettend zwaar om mezelf telkens weer op te peppen. Soms vraag ik me af waar ik de geestelijke en lichamelijke veerkracht vandaan moet halen. Over drie maanden hoef ik pas weer terug te komen in het ziekenhuis. Wat een luxe.

¶ §MRI
Het is tijd voor mijn derde MRI. In een kil kleedhok waarin alleen een spiegel en een soort medicijnkastje hangen doe ik alles uit waar metaal aan of in zit. Ik leg mijn sieraden op een te klein krukje. Een verpleegkundig vertelt dat ze ditmaal geen contrastvloeistof inspuit omdat het slechts een controlescan is. Dat vind ik prima. Weer een prik minder is altijd goed. Even later schuift ze me in het apparaat. Ik krijg een koptelefoon op, zodat ik ondertussen naar radio drie kan luisteren. De herrie van een MRI-scan is oorverdovend en vergelijkbaar met de machinekamer van een groot schip of de hardste gabberhouse die er is. Niet echt comfortabel dus.
De verpleegkundige laat me alleen en ik krijg via een speaker het seintje dat ze gaan beginnen met de scan. Een paar seconden later begint het lawaai. Ik kan de radio nu maar amper verstaan. In de verte hoor ik iemand vaag babbelen over het wel of niet bestaan van een spaghettimonster. Ik voel me intens eenzaam en denk aan doodgaan en andere enge dingen. In dit soort situaties word ik weer met mijn neus op de harde feiten gedrukt.
Na ongeveer tien minuten komt er een arts binnen. Hij wil toch vloeistof inspuiten. Dat baart me direct zorgen. Hebben ze iets op de scans gezien wat niet pluis is? Iets dat ze beter willen bekijken? Ik probeer aan andere dingen te denken, maar het lukt niet echt. Vandaag heb ik overal een slecht gevoel over. Ik bal mijn vuist en voel een lichte prik in mijn rechterarm. De contrastvloeistof, zodat ze nog beter in mijn hoofd kunnen kijken. Gelukkig kunnen alle medici nog niet zien wat er allemaal in mijn koppie omgaat. “We doen nog twee series zegt de arts.” Daarna gaat hij weg en het lawaai hervat.
Na de scan begeef ik mij met mijn moeder naar het ziekenhuiswinkeltje om een Cornetto Soft te kopen met chocoladesmaak. Het is bijna een vast ritueel geworden als compensatie van vervelende onderzoeken of doktersbezoeken. Een overdaad aan suiker helpt op korte termijn tegen alles. Met het ijsje in de hand lopen we naar huis. De zon schijnt en het is stil op straat. Iedereen is gevlucht naar Zuid-Europa of nog verder weg. Mijn hoofd is bij de uitslag van de scan die volgt op dertien augustus. Nog tien vreselijk lange dagen wachten. Kon ik maar even wegvluchten van het lot dat boven mijn hoofd hangt.