¶ §Postduif
Ik doe niets anders dan 'treinen'. En als je niets anders doet dan 'treinen'. Dan hoor je rare dingen. Of je nu wilt of niet.
‘Waarom hebben wé een probleem?’
‘Is dat alles?’
‘Heb je wel gevoeld of hij warm is?’
‘Nee, niet jij. De vogel.’
‘Oké, postduif, jij je zin.’
‘Want, als hij nog warm is. Dan moet je hem reanimeren.’
‘Daar krijg je écht niets van.’
‘Dierenbeul. Nou, is hij nog warm of koud?’
‘Hoezo gaat het niet meer?’
‘Wáár ligt hij?’
‘In de kliko?’
`Je gooit toch geen levende postduif in de kliko?’
‘Hoe weet jij dat nou? Je hebt niet eens gevoeld sukkel.’
‘Haal hem eruit!’
‘Ik weet dat het mijn kat is.’
‘En dat het dus ook mijn postduif is.’
‘Maar ik gooi geen beesten in de kliko.’
‘Nogmaals. Haal hem eruit!’
‘Krijg zelf de vogelgriep.’
¶ §Meisje in de trein
Zeven uur ’s avonds. Tussen Culemborg en Geldermalsen kwam de trein geruisloos tot stilstand. Het meisje tegenover mij staarde met lege ogen naar de weilanden. De trein kwam weer tot leven en het meisje ook. Met veel precisie bracht ze make-up aan op haar gezicht. Haar wenkbrauwen werden dik aangezet met een potloodje van de Hema. Ze had het zo te zien al veel vaker gebruikt. Er was niet veel meer van over. Daarna mascara – niet één maar drie laagjes. Dat was onnodig, ze had wimpers genoeg. Blijkbaar vond ze van niet, want er volgde een vierde laagje. Een afkeurende blik in een rond spiegeltje. Toch bleef een nieuw laagje uit.
De trein reed met volle vaart over een wissel en het meisje was toe aan haar oogschaduw. Aparte volgorde - eerst mascara en dan oogschaduw. Ik bespeurde twijfels. Blauw of roze? Het werd roze. Ze was een jaar of 17 en naturel mooi genoeg, maar meisjes van haar leeftijd zijn onzeker. Over zichzelf, jongens, het leven. Weer een blik in het ronde spiegeltje. Afkeuring. Een poederdoos moest meer geluk brengen. Een bruinoranje kleur bevuilde haar vlekkeloze gezichtje. Net een auto die zwarte sporen achterlaat in frisse sneeuw.
Ik vroeg me af waar het meisje heenging. En voor wie ze zich mooi maakte. Een vriendje bij wie ze zichzelf niet kon zijn? Haar bijbaantje in de plaatselijke pizzeria? Een date met die leuke jongen uit de disco van vorige week? De verjaardag van haar beste vriendin? Of toch gewoon naar huis? Dan had ze al die make-up toch niet nodig? We arriveerden op het station. Ik zag een jongen staan met een bos gele rozen. Een beetje onwennig. Misschien was het wel haar prille vriendje. Maar ze liep door met haar schouders naar beneden. Daarna verdween ze in de avond die volgde op de schemering.
En ik bleef achter in onwetendheid.
¶ §Prada-moeder
Een ding was duidelijk: het was een Prada-moeder. Ze bleef met een dure naaldhak achter een stoeptegel hangen. Haar sleutelbos viel op de grond. Ik zag een Gucci-logo. ‘Raap eens op’, riep ze naar haar peuter. De Prada-moeder friemelde nerveus aan haar schoen. Dat ging moeilijk, want ze had haar handen vol met luxe winkeltasjes. Overduidelijk PC Hooftstraat of iets soortgelijks.
Het kwam door vriendin E. dat de Prada-moeders mijn leven binnenwandelden. ‘Die zijn pas lastig’, zuchtte ze. ‘Ze komen naar de winkel met hun bugaboo’s en dumpen hun designerbaby bij mij. Daarna hebben ze alleen maar oog voor de Prada’s. Sommige kopen twee of drie paar op een dag. Hetzelfde model, verschillende kleuren. En maar klagen als we de juiste maat niet meer hebben. Of als de rode ballerina’s vloeken bij hun nieuwe, peperdure zomerjurkje.’ ‘Hoe oud zijn die Prada-moeders?’, vroeg ik. ‘Net zo oud als wij. Soms iets jonger en soms iets ouder. Ze doen de hele dag niets. Alleen maar winkelen en zeuren.’
De telefoon van mijn Prada-moeder ging. De Lambada. Dat was lang geleden. Ik speculeerde wie het kon zijn. Manlief die een verontrust telefoontje van zijn creditcardmaatschappij had gehad. Of een verkoopster van Louis Vuitton. Stiekem was ik een beetje jaloers op haar. Ik zag mezelf al op hoge hakken de creditcard van manlief plunderen. Schaamteloos, maar lekker. De hele dag niets anders doen dan zinloos winkelen. In plaats van tien uur per dag werken.
‘Ze hebben ook een glamourplein op de Huishoudbeurs gilde mijn Prada-moeder met een hoog stemmetje door de telefoon.' Mijn jaloezie verdween direct.
¶ §Praatjes vullen geen…
De trein was veranderd in een vuilnisbelt. De grond lag vol met verkreukelde kranten. In de prullenbakjes was geen ruimte meer voor afval. Op de banken naast mij had iemand geknoeid met Fristi. Het rook zurig. Ik nam de informatie van mijn workshop nog even door. Met slaap in mijn ogen. Tien uur eerder zat ik in dezelfde trein. Misschien was één van de kranten op de vloer wel van mij. Ik was niet de enige in de coupé. Helaas. Een paar jongens achter mij bekogelden elkaar met zuurtjes en stoere praat. Gelukkig kon ik ze niet zien, alleen maar horen.
‘Ik zal hem er straks eens even lekker inhangen’, zei jongen één.
En hij had het niet over zijn kastdeuren.
‘En die van mij krijgt straks ook een grote beurt’, zei jongen twee.
En hij had het niet over het jaarlijkse onderhoud aan zijn auto.
‘Die van mij wel meer dan één’, zei jongen drie.
Ook hij sprak niet over jaarlijks onderhoud aan wat dan ook .
Op basis van hun praatjes kwam ik tot een oordeel. Ik zag een groepje jongens voor me van een jaar of 22. Met puistjes en petjes op. Nog heel groen, maar wel stoer voor elkaar. Spontaan kreeg ik medelijden met hun vriendinnetjes. Er vloog een zuurtje langs mijn hoofd.
‘Wij naderen het eindstation van deze trein. Let op uw persoonlijke bagage’, riep de conducteur door zijn intercom. Eindelijk.
Ik wierp een blik achterom en zag geen jongens, maar heren in de vijftig-plus-leeftijd. Met foute kostuums en te smalle stropdassen. Ik keek ze aan met een verbaasde blik. En zij keken terug.
‘Veel plezier vanavond’, zei ik. Met een vette knipoog. De heren bloosden en zwegen.
¶ §Idealen
De dochters van D. zitten op de bank. Ze hebben allebei dezelfde gekleurde pyjama aan. Ze mogen de finale van idols zien. En de verjaardagsvisite kijkt mee. Zo zat ik ook vaak naast zusjelief op de bank. Ik een blauwe pyjama en zij een blauwe pyjama. En dan keken we naar een spelshow met Ted de Braak of de finale van het songfestival.
Rafaella moet winnen vinden de meisjes, want Floortje zingt vals én ze kan niet dansen. Een van de meiden springt op om een perfecte imitatie van haar motorische kunsten te brengen. Dat had ik nooit gedurfd als er onbekende mensen bij waren. Ik was verlegen. Erg verlegen. Het liefst was ik onder de bank gedoken of naar mijn kamer gevlucht met een boek. Maar dansen voor vreemde mensen? Liever niet.
En toch bestaat nu een deel van mijn vak uit het interviewen van onbekenden. Je moet angsten aanpakken. Dat heb ik de afgelopen jaren geleerd. Onder de bank kruipen is geoorloofd als je zeven bent, maar daarna niet meer. Tenminste als je verder wilt. Er is altijd wel weer een nieuwe drempel waar je over moet. Ook als je oud en grijs bent. Mijn oma weigerde het om met een rollator te lopen. Zelfs toen ze al ver in de tachtig was. Dat was iets voor oude mensen en dat was ze niet. Maar uiteindelijk overwon oma haar aversie tegen het onding op wieltjes. Want stiekem kon ze er wel beter mee lopen.
Ik zie de meisjes en denk aan mezelf op die leeftijd en alle stappen die ik heb doorlopen. En opeens ben ik blij dat ik (ruim) dertig en gelukkig ben. Dat ik mezelf niet meer hoef te zoeken en al heb gevonden. Toch lijkt het gisteren dat ik met zusjelief bij mijn ouders op de bank zat. Met pennywafels en appelsap… En verlang ik even naar de veilige haven van een stabiel thuis.