¶ §Meisjesdroom
‘Vallen’, riep ik. ‘Vallen.’ Maar ze viel niet. Nee, ze liep vrolijk door. Met mijn bordje. ‘Uitsloofster’, gilde ik naar de tv. Overstemd door tienduizend gillende Italianen. Ik realiseerde me dat ik echt te oud was voor mijn meisjesdroom.
Als klein en groot meisje wilde ik dolgraag meedoen aan de Olympische Spelen. Ik was alleen heel slecht in sport en werd tijdens schoolgym altijd als laatste gekozen. Met trefbal liet ik mezelf expres afgooien. Dan kon ik vanaf de zijlijn toekijken. Hetzelfde geldt voor blokjesvoetbal. Mijn blokje lag als eerste op de grond, zodat ik op de bank mocht zitten. Touwklimmen, bokjespingen en korfbal: het was allemaal niet aan mij besteed.
Ik was wel heel goed in apekooien. Dan moest je een heel parcours afleggen via allerlei gymnastiektoestellen zonder dat je de grond mocht raken. Maar apekooien was geen olympische sport en ook geen optie. Daarom ging ik over op plan B. ‘Ik word bordjesdame’, zei ik tegen mijn vriendin E. ‘Dan doe ik mee aan de Olympische Spelen én ik mag een mooie jurk aan. Bovendien loopt een bordjesdame nog voor de vlaggendrager, dus iedereen kan je zien.’ Ik zag mezelf al schitteren in een prachtige creatie. Het liefste wilde ik het bordje van Nederland dragen. Maar Denemarken mocht ook of Nigeria. En dan werd ik geïnterviewd door Mart Smeets, omdat ik zo’n extreem goede bordjesdame was.
Maar de Olympische Spelen gingen aan Amsterdam voorbij en daarmee ook aan mij en mijn meisjesdroom. Tientallen andere meisjes namen mijn plaats in. Uit Sidney en Lilehammer. Niemand viel ondanks mijn telepathische ik-laat-je-struikelen-pogingen. Want ik ben niet alleen fysiek een onbenul. Ik kan ook heel slecht tegen mijn verlies.
¶ §Dreigbrief
Stel je krijgt een brief van de huisbaas met daarin de boodschap dat ze een inspectie willen houden. Dat is goed, denk je dan. Totdat je ziet hoe laat ze willen komen. Tussen negen en twee uur. Dan moet je een hele dag vrij nemen. Een hele dag voor een inspectie van twee minuten. Mooi niet. Gelukkig kun je telefonisch een nieuwe afspraak te maken. Maar omdat je druk bent, doe je dat morgen wel. En morgen ben je weer druk en doe je het overmorgen wel. Enzovoort. In dat geval zou het kunnen dat je per ongeluk vergeet om de afspraak te verzetten. Toch?
Daarom lag er een briefje in mijn brievenbus. Een dreigbriefje. En ik zit niet eens in de politiek. De boodschap: maak binnen vijf dagen een nieuwe afspraak anders betaal je zelf alle toekomstige onderhoudskosten. En dat is natuurlijk niet zo slim van de huisbaas. Communicatietechnisch gezien. Want een beetje dreigen met onderhoudskosten daar lig ik niet wakker van. Het briefje was effectiever geweest met de volgende strekking: maak binnen vijf dagen een nieuwe afspraak anders kun je het hele jaar geen nieuwe schoenen meer kopen. Maar dat stond er niet. Stom van hem.
Dus belde de huisbaas: ‘Je negeert je post. WE komen vrijdag a.s om half elf. Als je wéér niet thuis bent dan heb je een probleem.’ Toen kreeg ik het benauwd. Wie is WE? Heeft de huisbaas een knokploeg? Is hij dikke vrienden met Gerard & Joling? Of wil hij een man uit
Schoondochter Gezocht bij mij dumpen? Want, dat zou best een geschikte straf zijn voor mijn nalatigheid. Wordt vervolgd.
¶ §Comeback van Outback…
Sinds een week of zes hebben we een draagplicht bij de tijdelijke werkgever. Dat betekent dat we een toegangspas moeten dragen. Zichtbaar. Bij de vaste werknemer staat er een foto plus naam op de pas. Bij mij alleen mijn naam en de woorden ‘externe medewerker’ omdat ik dat ook ben. Dat is best positief. Ik sta altijd raar op de foto en dat hoeft niemand te zien. En elke dag een sjaaltje dragen, zodat ik mijn pas eronder kan verbergen, is geen optie. Ik ben geen stewardess.
Het is verboden om je pas niet te dragen. Dan krijg je straf. Desondanks draagt meer dan de helft van de collega’s hem niet. Daarom ben ik boos op de pasjespolitie. ‘Jullie zijn watjes!’. Het is voor sommige mensen heel handig als bepaalde collega’s een pas dragen. Bijvoorbeeld als je tegenover iemand staat bij de saladebar. Of een kroket gaat halen bij de kok-die-geen-kroketten-lust. Als ik een keer geen balansdag heb. Dat is tegenwoordig stoer 'een balansdag hebben'.
Dus mannen van de pasjespolitie. Ik heb een idee. Iedereen die aanstaande woensdag geen pas draagt, moet verplicht met een sandwichbord (haha) om in de kantine verschijnen. Met daarop in blokletters: voor- en achternaam, burgerlijke staat, afdeling en e-mailadres. Anders volgt een krokettenverbod. Deal?
En dat zeg ik natuurlijk niet omdat Outback Jack plotseling weer ‘in da house’ is. Zonder pas. Ahum.
Mensen die Outback Jack niet kennen, verwijs ik door naar mijn archief. Ik ben vandaag te lui om linkjes te maken.
¶ §Zusjelief en dé jurk
Bruidswinkels zijn een apart fenomeen. Je krijgt er een kopje koffie en veel persoonlijke aandacht. De verkoopsters doen hun hele leven niets anders dan bruidsjurken verkopen. Het is hun roeping. Ze weten van afstand wat een bruid in spe wil. Een prinsesje zijn. Het staat ver van mij af. Heel ver. Het was ooit een meisjesdroom om ook te schitteren in zo’n witte jurk. Compleet met sluier en krullen in mijn haar. Maar zelfs in de winkel – omringd door randjes en kantjes - krijg ik geen kriebels. Een toekomstige bruid wiebelt op haar hoge hakken. Het is duidelijk dat ze normaal altijd op sneakers loopt. Ze is net iets te stevig voor haar strapless jurk. Maar haar gevolg is ontroerd. Zeven mensen(!) roepen door de winkel hoe mooi ze is. Ik zie hoe ongemakkelijk ze zich voelt. Ze is gehuld in een creatie die niet bij haar past en toch wil ze de bruid zijn. Niemand die zegt dat ze ook een broek aan mag. Dat je niet in een tulen wolk hoeft te trouwen… En dan komt zusjelief uit het pashokje. In háár jurk. Ze straalt van onder tot boven, want een meisjesdroom komt uit. Soms klopt het wel…
¶ §Onspoord of toch niet?
Mijn ogen dwaalden over het station. Weer niet. Ik had bondgenoten nodig. En snel. Mensen die voor mij uitkijken naar Outback Jack. Maar wie? Opeens zag ik hem. Rode pet, blauw uniform en een ouderwets fluitje (dat de NS in dit digitale tijdperk nog geen polyfone variant heeft, is mij een raadsel.) Iemand die zijn gehele beroepsleven slijt op het spoor kan vast wel iemand opsporen? Briljante ingeving, niet waar?
‘Hallo, kent u Outback Jack?’, vroeg ik aan de conducteur.
‘Nooit van gehoord. Is het een Australiër?’, zei de conducteur.
‘Niet dat ik weet’, zei ik.
‘Waarom heeft hij zo’n rare naam?’, zei de conducteur.
‘Zo heb ik hem genoemd’, zei ik. ‘Ik weet niet hoe hij heet. Daarom heb ik uw hulp nodig.’
‘Waarom dan?’, zei de conducteur.
‘Om hem op te sporen. Ik zoek hem al drie maanden’, zei ik.
‘Haha’, zei de conducteur.
‘Hoezo haha?’, zei ik .
‘Wil Outback zich nu melden in de stationshal?’, zei de conducteur spottend.
‘Dat is toch een kleine moeite?’ zei ik.
‘Weet je wat jij moet doen?’, zei de conducteur. ‘Je moet gewoon weer gaan loggen. Die speurtocht van jou heeft nu lang genoeg geduurd…
Bij deze…
(Ik kan het ook gewoon eerlijk zeggen: ik had het druk. En ik was schrijfmoe. Maar nu niet meer. Denk ik. Bovendien wilde ik een ander logadres. Alleen daar had ik ook geen tijd voor. En dus ben ik nog steeds hier. Verhuizen kan altijd nog. Overigens is Outback Jack één uit beeld. Ik heb het nu alleen nog maar over Outback Jack twee. Helaas is ook nummer twee sinds kort verdwenen. Zou het soms aan mij liggen?)