¶ §Het is maar een spelletje
‘Dit is een ontruiming. U moet het pand nú te verlaten’, zei de bedrijfshulpverlener
‘Weet je wel hoe koud het is buiten?’, zei ik.
`Niets mee te maken. Eruit!’, commandeerde de bedrijfshulpverlener.
‘Ja, maar…’, zuchtte ik.
‘Met de trap’, voegde de bedrijfshulpverlener gemeen toe.
‘Ik pak eerst mijn jas’, zei ik.
`Nee. Dat mag niet’, zei de bedrijfshulpverlener.
`Wedden van wel’, zei ik.
Daarna daagde ik de bedrijfshulpverlener uit voor een potje judo. Onder luid gejuich van de tijdelijke collega’s. In mijn verbeelding dan, want iedereen was al beneden. Ik won met vijf koka's. Daarna strompelde ik met mijn jas, sjaal, tas en een wárme cappuccino naar beneden. Samen met nog vijfhonderd mensen van andere afdelingen. En iedereen was jaloers op mijn koffie én mijn dikke winterjas. We liepen extra langzaam naar beneden om de gemene bedrijfshulpverlener te pesten. Gelukkig was het maar een oefening.
Natuurlijk sloeg ook mijn fantasie weer op hol. Dat gebeurt soms. Het zou wel leuk zijn als iemand anders bedrijfshulpverlener zou worden. Het begint met Outback en eindigt op Jack. Dan zou ik nep flauwvallen in zijn armen. En dan zou hij me acht etages naar beneden dragen. Romantisch toch? Outback Jack wil je daarom de volgende keer wel meedoen met de ontruimingsoefening... Je weet niet wat je mist.
Nu we het toch over werk hebben. Ik zag er heel ontspannen uit op tv. Mijn hoofd was niet rood. En ook niet blauw. De rodekoolbroek was zelfs niet te zien. Misschien word ik wel filmster. Ja, dat zou pas leuk zijn. Leuker dan een ontruimingsoefening op maandagochtend.
¶ §Mannen komen van Mars en de Sint uit Spanje
Overal vijf- en zesjarigen. Ik wist niet waar ze opeens vandaan kwamen. Maar het was een heuse kleuterinvasie. Sommigen waren slecht geschminkt als zwartepiet. Anderen hadden een wattenbaard. Middenin de stad stond een troon met roodfluwelen bekleding. ‘Sinterklaas is er over tien minuten’, schreeuwde een bekende plaatsgenoot door de microfoon. Als Sinterklaas aankomt, dan moet je het centrum mijden. Dat hoor je als ervaren shopaholic te weten. Maar ik dacht dat hij zijn stoomboot al een week eerder had aangemeerd. En dat de kust veilig was…
Sinterklaas kwam aan. Samen met een vrouwelijke hoofdpiet met onnatuurlijk blauwe ogen. De kinderen mochten liedjes zingen door een microfoon. Hun valse noten overstemden de hele stad. Ik had hoofdpijn. ‘Nu gaan we kijken wie het hardste kan zingen. De jongens of de meisjes’, joelde Sinterklaas. Stik. Jarenlang heb ik me afgevraagd waar onze concurrentiestrijd met het mannelijke geslacht vandaan kwam. Nu wist ik het. Het kwam door Sinterklaas. ‘
Sinterklaas Kapoentje’, schreeuwden de meisjes. ‘
Gooi wat in mijn schoentje’, joelden de jongens. En zo ging het nog even door.
Mijn slapen bonkten. Maar ik moest weten wie er ging winnen. Ik was voor de meisjes natuurlijk. ‘Jullie hebben allemaal gewonnen’, zei Sinterklaas. ‘Nietes’, zei ik boos. ‘De meiden zongen veel harder. Sinterklaas kan niet tegen zijn verlies. Het is een watje.’ De Goedheiligman reageerde niet.
'Sinterklaas is jarig zet hem op de pot. O wat zal hij stinken. Doe de deur op slot', zong ik uit wraak. Ik vier nooit meer zijn verjaardag. Dat is zeker. Ik hou niet van mannen (mensen) die liegen.
¶ §Ik wil het
‘Prinses’, fluisterde Outback Jack. ‘Deze reis met jou kwam langzaam op gang. Maar gaat nu in sneltreinvaart vooruit. Ik krijg warme gevoelens van je. En ik hoop dat jij hetzelfde voelt voor mij. Jij bent de persoon naar wie ik verlang. Jij hebt me compleet gemaakt. En je weet nu, dat ik graag mijn reis volg met jou... Nathalie.’
Zo, dit stukje ging niet over mijn
Outback Jack. Maar over de Australiër met dezelfde naam die vorig jaar op de televisie was. Bij gebrek aan beter. Ik zag mijn Outback Jack altijd in het bedrijfsrestaurant. Maar daar eet ik niet meer. Ik heb al twee keer een salade gekregen met haren. En ik ben niet zo dol op voedsel met genetisch afval van anderen. Dus ga ik elke dag op eetsafari in het winkelcentrum.
Volgens mij heeft Outback Jack nu ook een lease-auto. Ik zie hem nooit meer in de trein. En dat terwijl ik heel graag mijn reis wil vervolgen met hem. Net als op de televisie. Maar ik lijk niet op die Nathalie hoor. Echt niet. Nathalie is high maintenance en blond. Ze is geboren met lippenstift op. En niets is goed genoeg voor haar. Alleen Outback Jack en designer labels.
Dat ik geen sla met haren eet, wil niet zeggen dat ik high maintenance ben. Ik ben gewoon kritisch. Wat eten en wat mannen betreft. Maar niet altijd. Want mijn Outback Jack lust ik rauw. Bloos.
¶ §Mijn leven voor de televisiecamera
‘Dadelijk komen er een paar mensen filmen’, zei de tijdelijke baas. ‘Werk maar gewoon door. Ze zijn zo weer weg.’ Bij de tijdelijke baas zijn ze dol op filmpjes. Die gebruiken ze dan voor interne presentaties. Maar vandaag niet. De landelijke tv kwam langs. En ik had mijn allerlelijkste rodekoolbroek aan. Slik.
‘Misschien kan ik mijn jas over mijn schoot draperen’, zei ik tegen de tijdelijke collega. ‘Dan valt mijn broek niet zo op.’ ‘Maak je niet druk’, zei de tijdelijke collega. ‘Ze zijn zo weer weg.’ Aan me hoela. De cameraman was niet snel weg. Hij nam wel een kwartier lang een mevrouw en een rodekoolbroek in beeld.
‘Mevrouw wilt u dit papiertje even bij uw hoofd houden?’ vroeg de cameraman. ‘Dan kan ik een mooie close-up maken.’ Ik wilde niet in beeld en al helemaal niet close. Spontaan werd ik zo rood als een biet. Een leuke combinatie met de rodekoolbroek. Ik leek wel een levende groentewinkel. ‘Als u het papiertje weglaat, dan wordt uw gezicht op tv helemaal blauw.’ Dat kon er ook nog wel bij. Een levende groentewinkel met een smurf als verkoper.
Ik verstopte mijn benen heel ver onder de tafel. Mijn kin hing bijna op mijn toetsenbord en mijn billen gleden van mijn stoel. Maar de cameraman filmde stug door. Het was een professional. ‘Mevrouw kunt u even herhalen wat u net deed.' 'Wát van mijn stoel afglijden?' 'Nee, even naar boven en beneden scrollen met de muis. Dat ziet er zo leuk uit op beeld’, zei de cameraman enthousiast. ‘Als u mijn rodekoolbroek filmt, dan maak ik van uw camera een racefiets’, zei ik. Mijn niet heus. Van camera’s word ik verlegen.
‘Dat was de moeite’, zei de cameraman. ‘Ik heb een paar aangename sfeershots gemaakt.’ ‘Mooi zo’, zei de tijdelijke collega. ‘Dan komt ons bedrijf weer goed voor de dag.’ ‘Dat zou kunnen’, zei ik. ‘Als ze een filiaal willen openen in Smurfenland.’ En de cameraman kon er nog om lachen ook.
Het is theoretisch mogelijk dat één dezer dagen de volgende oproep in Opsporing Verzocht verschijnt: ‘Gezocht smurf met een hoofd als een biet en een rodekoolbroek aan.’ Dan berust dit logje op louter toevalligheid. Dat mag duidelijk zijn.
¶ §Wat is geluk?
Zusjelief en ik ontdekten een klavertapijt onder een Oostenrijkse pruimenboom. Het zat vol met klavertjesvier. Dat was mooi zeg. We hebben de klavertjes geplukt en in een plastic boterhammenzakje gedaan. Trots toonden wij deze unieke buit aan onze ouders. ‘Nu hebben jullie genoeg geluk voor de rest van jullie leven’, zei mijn moeder. Maar daar konden wij ons – zes en zeven jaar oud – nog niet zoveel bij voorstellen.
Ik leerde hem via via kennen. We wisselden foto’s uit, mailden en telefoneerden. Dan discussieerden wij over geluk. En de rol van toeval in het leven. Is er meer dan jezelf kunt zien? Van een echte ontmoeting kwam het niet. Het geluk op mijn pad maakte een nare kronkel. Ik wilde even niet meer praten of nadenken over dit onderwerp. Het was niets in vergelijking wat hem te wachten stond. Dat wist ik op dat moment nog niet.
Met kerst kreeg ik een boekje van mijn werk. Een fabel over geluk. Het meesterwerkje, volgens de flaptekst, kwam ongelezen in mijn boekenkast terecht. Nog verpakt in cellofaan. De dagen na 26 december verschenen de eerste foto’s van Tsunami-slachtoffers in de media. De wereld deelde een groot verdriet. Ik herkende zijn gebruinde gezicht onmiddellijk. Met hem had ik intense woorden gewisseld. Wat is geluk? Wat is toeval?
Ik heb deze week het boekje uit het cellofaan gehaald. Geluk is geen toeval zegt het. Ofwel, het is uitgesloten dat ik nog een keer honderden klavertjesvier onder een Oostenrijkse pruimenboom vind. Ook niet als ik dagenlang zou zoeken. Geluk daar moet je hard voor zweten. De juiste omstandigheden voor een voorspoedige voedingsbodem creëer je zelf. En juist dat ben ik op dit moment aan het doen. Inderdaad zélf.
Het klavertje vier. Een fabel over geluk. Alex Rovira Celma & Fernando Trias de Bes.
¶ §MC Hammeren
Yo! Stond er in mijn mailbox. Vergeet je het feestje niet? Ga je nog mee MC Hammeren vanavond? Oja, ik zou gaan MC Hammeren. Samen met de vriendinnen. Omdat het hip is. Dat was de afspraak. Maar nu ben ik moe.
You can touch this uit 1990 was de grootste hit van MC Hammer. Dat heb ik net opgezocht. Dat moet je nou nooit doen. Dingen van vroeger googelen. Dan ben je pas echt oud. Op dat moment was ik zestien. Een jaar later ging ik studeren in Amsterdam. En elk weekend MC Hammeren. Tot diep in de nacht. In te korte rokjes met krullen in de haren. En ik was nooit moe. Alleen watjes waren moe. Of dertigers uit de provincie.
Nu gaan de vriendinnen en ik naar een eetcafé. Of loungen op zondagmiddag. In een spijkerbroek en een slobbertrui. Dan praten we over pilatus, arbeidsovereenkomsten, samenleefcontracten en andere saaie dingen. En niet meer over handtastelijke leraren. Of Arnie, Roos en Peter Kelder.
Ik heb een vaste baan, pensioen, klassieke cd’s, vriendinnen met kinderen, een bijna getrouwd zusje en meer dan één werelddeel gezien. En toch weet ik nog wie MC Hammer is. Sommige dingen verleer je nooit. Wedden?
¶ §Mijn stille ontmoeting met Outback Jack (3)
‘Zag je dat?’
‘Te lui om de trap te nemen’
‘Als je op de tweede werkt, ga je niet met de lift’
‘Nou moeten wij tien minuten wachten’
‘Dat is toch niet normaal. Vier liften voor duizend mensen’
‘Het lijkt de NS wel.’
‘We maken toch winst?’
‘Ja, een paar miljard.’
‘Dan kan er vast wel een liftje bij.’
‘Of tien.’
Ik zag het ook en hield mijn mond. Maar van binnen juichte ik. Outback Jack werkt op de tweede. Yeah! Best knus zo’n file voor de lift…
Morgen een politiek logje over Kadhafi. Omdat er ook dingen op deze wereld gebeuren die er echt toe doen.
¶ §Nederland in beweging op de werkvloer
Ik heb ruzie met het rode computerduiveltje van de tijdelijke werkgever. Elke ochtend kijkt het duiveltje me lachend aan. Dan is hij nog geel. Net een stralend winterzonnetje. Of een smiley. Maar in de loop van de dag wordt het winterzonnetje vuurrood. En dan kijkt hij heel boos. Woedend zelfs. Het was tijd om de discussie met hem aan te gaan.
‘Wat heb ik misdaan?’, vroeg ik. ‘Waarom kijk je zo boos?’ ‘Niet normaal’, zei het rode mannetje. ‘Wat kun jij typen zeg. Je zit echt veel te lang achter de computer. Dat is ongeoorloofd. Bovendien negeer je alle microbreaks. En doe je de verplichte oefeningen niet. Ik pik dit niet langer. Of je stopt nu met werken. Of ik gooi je uit het systeem en dan kun je de rest van de dag niet meer op het netwerk…’
Het leek wel alsof het rode duiveltje elk moment uit elkaar kon spatten van woede. In feit had hij gelijk. Ik negeerde de hele dag zijn oefeningen, want die zijn stom. Ik moet bijvoorbeeld elk uur naar een ver punt turen. Nou staar ik graag wat voor me uit. Maar niet op commando. Ook geeft het mannetje allerlei commando’s: rek je ruggenwervels, wapper met je handen, maak kniebuigingen en draai met je nek. Dat ziet er dom uit. Het lijkt wel
Nederland in Beweging op de werkvloer. Dat is pas een irritant tv-programma. Vooral als presentator Karl gaat bubbelen. Dan roept hij enthousiast: ‘Laat je billen zien’. Mooi niet Karl.
Dus negeer ik het rode duiveltje. Hij mag me best om één uur ’s middags uit het netwerk gooien. Een vrije middag is geen straf. Hij houdt ook nog bij hoeveel aanslagen per minuut ik gemiddeld maak. De hele dag. Het bewijs dat hij niet goed wijs is. Ik zit op 220+. Zo vaak kan Karl niet eens met zijn billen schudden in een minuut. Joehoe!
¶ §Mijn stille ontmoeting met Outback Jack (2)
De
kok die niet van zijn eigen kroketten hield, keek me vragend aan.
Zie je wel, iedereen heeft ze’, zei hij. ‘Culinaire barbaren. Dat zijn het.’
Maar ik had geen aandacht meer voor de kroketten. Dat was logisch. Outback Jack was in het pand. Ik had andere dingen om me zorgen over te maken. Mijn haar bijvoorbeeld. En waarom had ik dat stomme bloemenrokje aan? ‘Ik hoef geen kroket’, zei ik tegen de kok. Hij keek me bijna verliefd aan. Heus. Ik verkoos de saladebar. Mijn maag kon spontaan geen kroketten meer aan.
Ik liep achter de tijdelijke collega’s aan op zoek naar een tafel. Daarbij deed ik mijn uiterste best om niet te struikelen over mijn voeten. Het is niet stoer om met je neus in je eigen broccolisalade te vallen. Zeker niet als Outback Jack in de buurt is. Dan had ik wel gelijk kunnen testen of hij galant is. Misschien de volgende keer een elegante buiteling maken?
De tijdelijke collega’s kozen een tafeltje uit naast Outback Jack. En ik kreeg de slechtste plaats. De hele lunch zat ik met mijn rug naar hem toe. ‘Zit er niets raars op mijn rug?’, vroeg ik 25 keer aan de tijdelijke collega’s. ‘En zit mijn paardenstaart recht?’ Ze keken me een beetje vreemd aan. Normaal stelde ik nooit zoveel vragen.
Na twintig minuten viel mijn mes op de grond. Messen zijn tegenwoordig zó zwaar… Heel subtiel gluurde ik naar mijn achterbuurman. Maar ik zag slechts een verfrommeld servetje op een lege tafel…
¶ §Zeg maar Jan
‘Zeg maar Jan’, zei de begrafenisondernemer. Daar zaten we dan. Zusjelief en ik. Om een eikenhouten tafel. Bijna dezelfde kleur als de kist die naast ons stond. Het was tijd voor de checklist. Een soort “ik ga op reis en neem mee” maar dan anders. Jan schopte met zijn zwarte sportschoenen tegen de tafelpoot. Ik streelde twee koude handen. Ze hadden me zo vaak opgetild. Of minutenlang gekieteld, zodat ik stikte van het lachen.
Het koffiezetapparaat pruttelde. Jan schraapte zijn keel. ‘Zijn er volgauto’s nodig?’, vroeg hij. ‘En een voorganger?’ ‘Gaat iemand nog wat zeggen?’ ‘Of houden jullie het simpel?’ Hij schopte weer met zijn sportschoenen tegen de tafelpoot. We beantwoordden zijn vragen als brave schoolmeisjes. Met zweethanden. De regen zwiepte ongepast hard tegen de ruiten. Het was juli. ‘We zijn klaar’, zei Jan. ‘Morgen bespreken we de muziek wel en het draaiboek.’
We zwaaiden nog even naar de kist. Het was zijn verjaardag. Ook dat nog. Dit jaar geen warme appeltaart met slagroom. Maar tranen.
‘Zag je dat?’, zei ik buiten tegen zusjelief. ‘Sportschoenen onder een begrafenispak. Pappa had dat wel leuk gevonden.’ Ze had het ook gezien. We lachten. Een beetje zenuwachtig dat wel. Maar we lachten. Precies op dat moment brak de zon door.
¶ §Mijn stille ontmoeting met Outback Jack
Hij stapte de trein in en ik ook.
Outback Jack. Bruine krullen en ogen, een mooie mond, een keurig gestreken overhemd en een bijpassende stropdas. Heel geraffineerd. Outback Jack zag mij ook. We wisselden blikken uit. Lang en zwoel. Ik vergat even dat het half acht ’s ochtends was. ‘Isn’t he lovely’, zong mijn iPod. Het was flirten in de dageraad. Ik zocht zijn blik bij Maarssen. Hij die van mij in Breukelen. En zo ging het maar door. Totdat de weilanden transformeerden in flatgebouwen. De trein minderde vaart bij station Bijlmer. Ik stond op en vergat mijn sjaal. Nog eventjes keek ik in zijn bruine ogen. Wat was hij mooi. Mijn Outback Jack.
We verlieten samen de trein. Ik volgde hem met mijn ogen. In welke van de driehonderd kantoorpanden zou hij werken? Hij tijgerde als een echte professional door de mensenmassa, zodat ik hem uit het oog verloor. In een flits verdwenen. Spontaan kreeg ik een ochtendhumeur.
‘Want vind jij ervan?’, vroeg de kok.
‘Waarvan?’, vroeg ik.
‘Van mijn kroketten’, zei de kok. ‘Die passen toch niet in het assortiment.’
‘Dan moet je ermee stoppen’, zei ik.
‘Dat mag niet. Echt iedereen wil kroketten hier.’
Dat geloofde ik niet. Mijn ogen dwaalden door het bedrijfsrestaurant. Op zoek naar de kroketten. Ik zag inderdaad mannen en vrouwen met deze dampende snacks. Maar ik zag ook collega’s met salades, broodjes en zelfs met wokmaaltijden. En ik zag… Outback Jack..
¶ §Tom Cruise en zusjelief hebben veel gemeen
Tjonge. Mijn intelligentieniveau neemt met de dag toe nu ik de twee treinkranten lees. In de treinkranten staat vaak hetzelfde nieuws. Neem nou Tom Cruise. Die kreeg vandaag mooi publiciteit in beide. Dat is leuk voor de fans. Ik vond hem ook altijd best oké. Totdat ik hoorde dat Tom ongeveer tot mijn schouder reikt. Dus moet hij op een zeepkistje gaan staan om mij een kus te geven. Zelfs de meest knappe mannen zijn niet ‘cool’ als ze op een zeepkistje moeten zoenen. Ook Tom niet.
Tom heeft zijn zus ontslagen en hij gaat trouwen. Jawel. Wereldnieuws. Zijn zus was zijn PR-manager. Maar nu niet meer. Ze gaat liefdadigheidswerk doen. Dat stond tenminste in de krant. Ik heb een scoop. De waarheid is dat Tom Cruise een
zangverbod kreeg van zijn zus. Ik heb hem horen zingen in
Top Gun en dat was niet best. Daarom mag hij op zijn huwelijksdag geen serenade brengen aan zijn toekomstige vrouw. Dat zou hem teveel slechte PR opleveren. En dus was zijn ego gekrenkt. Toevallig dit. Nu hoop ik dat zusjelief de treinkranten vandaag niet heeft gelezen. Het zou haar op ideeën kunnen brengen en ik wil wel getuige blijven.
Hij heeft ook ruzie met Brooke. Je weet wel dat onschuldige meisje uit
The Blue Lagoon. Brooke is na haar zwangerschap in een depressie geraakt. Ook dit is niet waar. Hier volgt weer een scoop: ze was gewoon chagrijnig omdat ze al die jaren met een man op een zeepkistje heeft gezoend. Liefde maakt blind.
Tom gaat nu trouwen met Katie Holmes. Dat werd bekendgemaakt rond het tijdstip dat zijn film
War of the World uitkwam. De Amerikanen vonden het maar niets dat hij zijn huwelijk benutte als publiciteitstunt. Maar ik vind het wel slim bedacht. Een bruiloft is duur. Dit was vast nog een idee van zijn zus. En zussen hebben altijd briljante ideeën. Zelfs die van mannen op zeepkistjes.
¶ §Van onderen
‘Kom je nog helpen met de coniferen?’, zei mijn moeder. ‘Tuurlijk’, zei ik. Mijn wens zou uitkomen. Ik wilde al heel lang een keer bomen kappen. En op het moment van de val heel hard ‘Van Onderen’ roepen. Of anders gezegd: ik wilde heel graag ‘Van Onderen’ roepen zonder bomen kappen. Dat zou helemaal ideaal zijn. En mijn wens kwam uit. Mijn aanstaande zwager deed het zware werk. Op de schutting klimmen, de stam doorzagen en losse takken ontwijken. Dat was niet aan mij besteed. Soms is hoogtevrees best handig.
Zusjelief en ik waren de baas over het touw. Ik was baas één en zij baas twee, omdat ik ouder ben. En baas één mocht als eerste roepen. Maar eerst moest de aanstaande zwager een commando geven. En dat duurde behoorlijk lang. Ondertussen heb ik thee gezet en de krant gelezen. ‘Heb eens wat meer geduld´, zei zusjelief. Maar ik luisterde niet. Zij nam alleen haar bruidegom in bescherming. Misschien krijgt hij wel een cirkelzaag van mij als huwelijkscadeau. Dan gaat het de volgende keer wat sneller. Ein–de–lijk riep mijn aanstaande zwager: ‘Nu!’ Waarop wij aan het touw trokken. Baas twee wat harder dan baas één. We hoorden gekraak en ik riep hard ‘Van Onderen’. Dat was alles.
Even later zag ik een woordvoerder van president Bush op tv. Het gaat niet zo goed met hem. Zestig procent van de Amerikanen wil liever een andere president. ‘Dat gaf niet’, zei de woordvoerder. ‘Gebeurt er volgende week een ramp, dan is iedereen weer pro–Bush. Zo gaat dat in de politiek.’ Dus stel ik voor dat alle Amerikanen stevig doorhakken. Dit ‘bos’ moet gekapt zijn, voordat hij weer terrein wint. Van onderen!
¶ §Winterjunkies
Ik besloot dat ik een kleurtje nodig had.
Over een kwartier heb ik een zonnebank vrij’, zei de dame van het zonnecentrum. ‘Wil je ondertussen een kopje thee?’ ‘Graag’, zei ik. Het ochtendzonnetje scheen heerlijk door de ruiten. Een verdord eikenblad waaide naar binnen. Ik genoot van de mooie herfstochtend. Maar twee andere bezoekers van het zonnecentrum niet.
‘Weet jij waar de weinter blijft?’, zei het rood verbrande hoofd.
‘Ik heb echt geen idee’, zei de campingsmoking.
‘Vroeger’, zei het roodverbrande hoofd. ‘Toen had je pas weinters.’
‘Wel drie weken sneeuw’, zei de campingsmoking.
‘En metersdik ijs. Ik heb er zelfs met de auto over gereden’, zei het roodverbrande hoofd.
Het roodverbrande hoofd was niet veel ouder dan ik. Dus het leek mij onwaarschijnlijk dat hij ooit met een auto over het ijs had gecrost. Of het moet een skelter zijn geweest. De warme herfstmaanden waren hem kennelijk naar het hoofd gestegen.
‘Het komt door de buitenlanders’, zei het rood verbrande hoofd.
‘Die nemen allemaal extra warmte mee’
‘Klopt’, zei de campingsmoking.
‘In Marokko is het ook nooit weinter’, benadrukte het rood verbrande hoofd.
‘Dus blijft de sneeuw hier weg. Logisch.’
Ik moest ingrijpen. Het kon niet anders.
‘In Marokko’, zei ik. ‘Kun je zelfs skiën in de winter.’
Het rood verbrande hoofd en de campingsmoking keken me ijzig aan. Ik had zojuist hun theorie om zeep geholpen. Ik snapte sowieso niet waarom ze zich in het zonnecentrum bevonden. Een zonnebankje kost gemiddeld acht euro. Dat geld konden ze beter aan een wintersportvakantie besteden. Om in Oostenrijk van de echte ‘weinter’ te genieten. Zodat ik mijn herfstbillen voortaan rustig een kleurtje kan geven. Ere wie ere toekomt. Nietwaar?
¶ §Bruiloft van zusjelief en het zangverbod
Gelukkig heb ik het enge programma gemist. Het komt op Nederland één en gaat over bruidsparen die samen iets zieligs hebben meegemaakt. Daarom mogen ze op tv. De weddingplanner regelt dan allerlei onvergetelijke dingen voor ze. Zo mocht een bruid zingen voor haar bruidegom. Het klonk niet zo mooi, maar hij kreeg tranen in zijn ogen. En niet van het lachen. Liefde maakt doof. Daar kreeg ik nachtmerries van. ‘Als zusjelief maar niet gaat zingen of blokfluiten’, riep ik ‘s nachts. Daarom heb ik een voorzorgsmaatregel getroffen.
Zusjelief en ik zaten allebei op blokfluitles. Zij bij de beginners en ik bij de gevorderden. ‘Muzikale vorming is goed voor jullie’, zei mijn vader. En dus fietste ik elke maandag naar muziekleraar Kots. Dat was zijn echte naam. Ik vond er niets aan om toonladders te oefenen, maar ik moest van muziekleraar Kots. ‘Zonder toonladders geen leuke liedjes’, zei muziekleraar Kots. Waarna hij mij 83 keer dezelfde noten liet spelen. Tiran. ‘Ik wil niet meer’, riep ik maandenlang naar mijn moeder. ‘Het is om te kotsen.’ Goede woordgrappen komen met de jaren. Ik moest het jaar afmaken.
Door muziekleraar Kots heb ik nog steeds een hekel aan de maandagen. Zusjelief had het beter bekeken. Ze oefende vol overgave. Maar het klonk vals. Als zuslief oefende, hielden wij onze handen voor de oren. ‘Misschien is muziekles niets voor jou’, zei mijn moeder tegen haar. Daarmee eindigden haar muzikale ambities. Helaas schreef mijnheer Kots ‘vooral doorgaan’ op mijn rapport. Om mij te pesten.
Zusjelief heeft haar blokfluit nooit meer aangeraakt. Maar als mensen gaan trouwen, doen ze rare dingen. Zoals blokfluiten voor hun aanstaande. Dus heeft zusjelief een muziekverbod. Naast het
knoflookmannetjesverbod. Voor één dagje maar. Ik wil gewoon niet dat ze háár huwelijk met een valse noot begint. Want zusjelief verdient alleen geluk. Allicht.
¶ §Pas(je) op?
De tijdelijke baas doet het veilig. Alles. Zo heb je een pasje nodig om het pand te betreden. Daarmee moet je door een draaideur. En die deur is niet zo aardig. De ene keer gaat hij open. De andere keer niet. Het is alsof hij de hele dag muntjes opgooit. De jongen met de stropdas mag wel naar binnen en de mevrouw met de bloemetjesrok niet. Als de deur niet open gaat, dan piept hij heel hard. Van stil protest is geen sprake. Daarna komt de bewakingsvrouw. Zij inspecteert je alsof je een voetbalsupporter bent. Dat weet ik, want ik heb het zelf ervaren. Al vier keer.
‘Waar is je pasje?’, vroeg de bewakingsmevrouw.
‘De deur doet raar’, zei ik
‘Heb je wel een pasje?’
‘Ja, hoor’, zei ik.
‘Waarom heb je geen personeelsnummer?’
‘Omdat ik hier niet werk’, antwoordde ik.
‘Als je hier niet werkt, waarom wil je dan toch naar binnen?’
‘Omdat ik hier wel werk, maar voor een andere baas’, zei ik.
‘Dus je werkt hier wel, maar ook weer niet.’
‘Ja’, zei ik.
‘Aha’, giechelde de bewakingsmevrouw.
‘Aha’, giechelde ik
Maar tijdens deze discussie had ik nog een toegangspas. Sinds half twee vanmiddag niet meer. Hij ligt in de liftschacht. Ja, echt waar. Ik stapte de lift in met volle handen: twee tassen, een broodje gezond, verse jus, een projectmap en mijn Nano (natuurlijk). En op dat moment besloot mijn pasje dat hij zin had in een duik. Met een zachte plof verdween hij uit mijn leven. Ik zag hem nog wel liggen, maar ik kon er net niet bij. Vervelend.
‘Hallo meisje dat hier wel en niet werkt’, zei de bewakingsmevrouw.
‘Goedemiddag,’ zei ik.
‘Wat kom je doen?’, vroeg de bewakingsmevrouw.
‘Mijn pasje is in de liftschacht gevallen’, zei ik.
‘Hahaha’, giechelde de bewakingsmevrouw.
‘Hahaha’, giechelde ik.
We lachen wat af de bewakingsvrouw en ik. Maar ik ben dan ook zeer gelukkig. Het had ook mijn Nano kunnen zijn. Alleen en verlaten op een onbereikbare plek. Ik wil er niet aan denken.
¶ §Pakjespieten
Niet leuk. Stel je zit in de trein en je luistert naar een willekeurig liedje. Het gaat ongeveer zo: “I hope this old train breaks down. Than I can take a walk around.” En vijf minuten later wordt je trein opgeheven. Dan vraag ik me af... Is dat toeval of niet?
Wil iedereen voortaan van de noodrem afblijven? En willen alle pakjespieten die schaamteloos hun spullen rondstrooien, dat niet meer doen? Het is nog lang geen Sinterklaas en ik wil gewoon met de trein naar huis. Rechtstreeks van Amsterdam Bijlmer naar Utrecht. Als dat mag. En niet van Duivendrecht, naar Weesp, naar Hilversum, naar Amersfoort. Enzovoort. Afgesproken?