¶ §Hoe Mr. Darcy twee van zijn voetstuk viel
We gingen naar
Pride & Prejudice. De verfilming van het gelijknamige boek van Jane Austen. Eerst was er een bekende televisieserie met een woest aantrekkelijke Mr. Darcy. Nu is er een film met een andere Mr. Darcy. En de nieuwe Mr. Darcy is helemaal niet leuk. Het is een beetje een engerd. Iemand die je nooit in het donker wilt tegenkomen. Zonder pitbull.
Ook de nieuwe Elisabeth Bennet moest de nieuwe Mr. Darcy niet. Ze kon hem wel schieten. Echt waar. Nou, en dat vond hij niet zo leuk. Hij glipte zelfs ’s nachts haar slaapkamer binnen. Dat is eng hoor. Mannen die je slaapkamer binnenglippen. Maar Elisabeth zag hem niet. Gelukkig. Anders was ze zich vast rot geschrokken.
De nieuwe Mr. Darcy liet zich niet kennen. Hij verzon een list en Elisabeth trapte erin. Natuurlijk. En wij maar roepen in de bioscoop: ‘Ga niet met hem aan de haal. Het is een foute versiertruck. Hij is niet te vertrouwen. Het is de nep Mr. Darcy.’ Maar Elisabeth wilde niet luisteren. Ze liet zich nogal makkelijk verleiden. De nieuwe Mr. Darcy deed haar een aanzoek en ze leefden nog lang en gelukkig. Dat laatste weet ik alleen niet helemaal zeker. De film stopte na het huwelijksaanzoek. Misschien zijn ze in het echt wel nooit getrouwd. Of gescheiden. Niet geheel onwaarschijnlijk. Met hem zou ik het geen dag uithouden.
Naar onze mening was Mr. Darcy twee gewoon een idioot in een maillot zonder sex-appeal. En gelukkig zijn er meer die er zo over denken.
“De nieuwelingen zijn niet bijzonder begeerlijk en over het algemeen zelfs redelijk miscast. De zogenaamd hunkerige kandidaat ziet er bijvoorbeeld uit als een uitgemergelde Orlando Bloom.”
Recensie Pride & Prejudice – www.filmtotaal.nl
Ik bedoel maar.
¶ §Geen kermis
Het was kermis. Ik fietste langs de waalkade. De foute muziek waaide uit over de stad. Door de enthousiaste kinderstemmen kreeg ik een raar gevoel. Vaders met dochter. Vaders met zonen. Overal vaders.
Maar ik ging niet naar de kermis. Dat was voor het eerst sinds jaren. Niet dat ik zo dol ben op de botsauto’s of een reuzenrad. Helemaal niet. Niks voor mij al die enge dingen. Dat heb ik van mijn vader. Hij durfde ook nergens in. Behalve in het spookhuis. Dat kon nog wel. Ik ging graag in de rups. Minutenlang draaiden zusjelief en ik keihard rondjes. Halverwege zakte de kap naar beneden. Dat was spannend. Niemand kon je zien. Ook onze ouders niet. Maar als de kap weer omhoog ging, dan waren wij superblij dat paps en mams nog op ons wachtten.
Aan het eind van de rit moest mijn vader altijd even langs de snoepkraam. ‘Ik wil naar huis’, zeurde ik. ‘Ik wil haar huis’, zeurde zusjelief. Het was inmiddels donker. De kermis kreeg nog meer sfeer door alle gekleurde lampjes. De muziek dreunde door. Mijn vader kocht een grote hoeveelheid noga en een kaneelstok bij de geblondeerde verkoopster. ‘Geen bezoekje aan de kermis zonder noga en kaneel’, zei hij altijd. Jaren later fietste ik nog altijd even over de kermis. De enge attracties liet ik links liggen, maar de snoepkraam niet. Voor hem.
Geen kermis en geen snoepkraam. Sweet memories. Daar moest ik het mee doen. En een gevecht tegen mijn tranen.
¶ §Een hele bevalling
De bezoekersaantallen van de TNT-website zijn deze week fiks gestegen. Dankzij mij. Wedden? Dat krijg je ervan als je in verwachting bent van een iPod. En TNT is zo handig. Je kunt precies zien waar je pakje is. Ik begon deze week in Shanghai. Oei. Als dat maar goed gaat. Zo jong en dan al een wereldreis. Maar vol goede moed reisde mijn ‘baby to be’ door naar Hongkong. Best knap op die leeftijd. Vervolgens nam hij direct het vliegtuig naar Amsterdam. Het was inmiddels kinderbedtijd, dus mocht hij een nachtje logeren bij TNT. Nooit geweten dat koeriers zulke zorgzame mensen zijn. Ik moest slechts een dagje wachten. Dat was nog wel te overzien. Maar het ging mis. Goed mis.
‘Hallo. Hoe gaat het?’, zei het afleveradres.
‘Is hij er al?’, riep ik.
‘Wie?’, zei het afleveradres.
‘Niet zo flauw doen. Mijn Nano’, zei ik tegen het afleveradres.
‘Nee, die komt maandag pas’, zei het afleveradres.
‘Maandag? Maar hij zou vandaag komen’, riep ik verontwaardigd.
‘Het is niet helemaal goed gegaan’, zei het afleveradres.
‘Jullie zouden toch thuisblijven?’, zei ik.
‘Je broertje heeft de bel niet gehoord', zei het afleveradres
‘Wat een ....', zei ik. ‘Hij mag straks mooi niet babysitten.’
‘Maak je niet zo druk om dat ding’, zei het afleveradres
Maar dat deed ik wel. Overtijd zijn is niet leuk. En ik wil gewoon mijn Nano. Meteen. Ik had gewoon op zwangerschapyoga moeten gaan. Dan was ik nu misschien – ehh – wat meer ontspannen geweest.
¶ §Dialoog van de week (1)
Het is tijd voor iets nieuws. De dialoog van de week. Ik vang heel wat gesprekjes op in de trein. Amusant, hilarisch, dom of ontroerend. De eer gaat deze week naar de oude heer en de lolbroek.
‘Gaat deze trein naar Enschede?’ zei de oude heer.
‘Nee naar Den Bosch’, zei de lolbroek.
‘Maar op de buitenkant staat Enschede’, zei de oude heer.
‘En toch gaat hij naar Den Bosch’, zei de lolbroek.
‘Lastig hoor’, zuchtte de oude heer.
‘Weet je wat lastig is?’, zei de lolbroek
‘Zeg het eens’, zei de oude heer.
‘Als ik nu mijn schoenen uitdoe. Dan zitten jullie allemaal in mijn stank. Dat is pas lastig.’
De lolbroek lag helemaal dubbel en zijn reisgenoot ook. Daarna praatten ze vrolijk verder over de voordelen van fietsvakanties. Voor zover die er zijn. Lang leve het vliegtuig! De lolbroek fietste ooit naar Zuid-Frankrijk met zijn kinderen. En zijn reisgenoot naar Oostenrijk. Ik kreeg bijna ontzag voor ze.
‘Meisje’, zei de lolbroek nu tegen mij.
‘Je schrijft toch niets over ons in dat boekje van je?’
‘Ik zou niet durven’, zei ik geheel naar waarheid.
Natuurlijk schreef ik geen woord in mijn boekje over de stinkvoeten van de lolbroek. Kom nou. Daar wil ik de pagina’s van mijn Moleskine niet mee bevuilen. Soms kan ik immers best een interessant gesprekje onthouden… De lolbroek moest eens weten!
¶ §Dichtbij het nieuws
Nu volgt een spannend verhaal. Dus wees gewaarschuwd.
Het was gisteren een dag als alle anderen. Nog een beetje slaperig strompelde ik de trein uit. Ik groette twee bouwvakkers op het station. Ze waren vrolijk. Erg vrolijk. De ene floot een liedje dat vroeger van André was. De ander zong zuiver mee. ‘Geef mij nu je angst. Ik geef je er hoop voor terug.’ ‘Goedemorgen meissie’, riep de ene bouwvakker met een dik Amsterdams accent. ‘Mogguh’, zei ik suf. ‘Nog niet helemaal wakker hé’, riep de andere bouwvakker. Hij zong vrolijk verder. Ik antwoordde niet.
‘Moet je nou eens kijken’, zei de tijdelijke collega. ‘Die hijskraan is neergestort. Bovenop het station. Misschien zijn er wel gewonden gevallen. Of doden.’ Vanaf de achtste verdieping tuurden we naar beneden. We zagen wat mannen driftige gebaren maken, maar geen ambulances of traumahelikopters. ‘Volgens mij is er alleen materiële schade’, zei ik. ‘Kijk maar, het perron is beschadigd. De tijdelijke collega knikte. ‘Gelukkig maar’, zei hij. ‘Ja, gelukkig maar’, zei ik.
De bouwvakkers waren dus minder wakker, dan ik die ochtend dacht. Wie laat er nou een hijskraan vallen? ‘Misschien moeten we morgen koffie meenemen voor de bouwvakkers. Dan blijven ze bij de les. Straks valt er nog meer uit de lucht’, zei ik tegen de tijdelijke collega. ‘Golfplaten, bakstenen, heipalen. Het is gewoon gevaarlijk hier.’ Mijn aandacht was even afgeleid van het flexkofferprobleem. ‘Ik ga nooit meer met de trein‘, zei ik. ‘Ik ga vanavond met de taxi naar huis. Punt.’
Anticlimax: maar vandaag zoefde ik gewoon weer over het spoor. Zonder koffie voor de bouwvakkers. Er viel niets uit de lucht. Ik kan het weten, want ik heb maar 271 keer omhoog gekeken. En nu was er niemand die ‘Geef mij nu je angst’ zong. Ook dat nog.
¶ §Liefdesbaby
Heb ik even verpletterend nieuws. Ik verwacht een kleintje. Eindelijk. Leuk hé. Nog maar een paar weken en dan is het zover. Is dat geen verrassing? Mijn liefdesbaby is natuurlijk op zijn mooist in het wit, maar je hebt ook roze, blauwe en lichtgele jasjes voor hem. Het wordt een jongen, dat weet ik al. En een geluid dat hij zal maken. Niet te filmen. Zo’n klein ding en dan al een gouden keeltje. Dat heeft hij niet van zijn moeder. Wedden? We noemen hem Nano, en hij draagt mijn naam. Dat is pas modern!
En nu we het toch over kleintjes hebben… De
flexkoffers zijn gekrompen bij de tijdelijke baas. Heus. Het zijn nu flexhandtasjes. Heel elegant hoor en hip. Mij niet heus. Na één dag zat mijn flexhandtasje al bommetje vol. Er kan niets meer bij. Zelfs mijn Nano niet. Dat is triest. Dieptriest. Het kan maar twee dingen betekenen. Of ik werk te hard. Of ik kan me beter volledig gaan storten op het moederschap…. C’est la vie!
¶ §Geniaal, briljant, fantastisch
Nog even over de rare snoeshaan. Ik heb hem dus uit mijn contactpersonenlijstje geknikkerd. Maar dat heeft hij gelukkig niet door. Het is nog steeds lekker stil. De rare snoeshaan heeft een vriendin. Al drieëneenhalf jaar. Dan is het uit. Dan is het aan. Ze knipperen wat af met zijn tweeën. Een richtingaanwijzer is er niets bij. En als het uit is, dan meldt de rare snoeshaan zich direct op MSN. Alsof ik dom ben. Aangezien het nu al een tijdje stil is, zijn ze vast heel gelukkig samen. Dat bevalt me wel. Dus heb ik een geniale, briljante, fantastische oplossing bedacht. Al zeg ik het zelf. Ze moeten gewoon ook gaan trouwen: de rare snoeshaan en zijn kippetje. Dan is het gedaan met het eeuwige uit, aan, uit, aan. Want een scheiding is permanent. Plus, ik heb definitief rust. Blokkeren en een naam verwijderen is niet altijd genoeg. Zeker niet als de rare snoeshaan op oorlogspad is. En als ze dan toch gaan trouwen, weet ik nog wel een leuk
huwelijksbedankje voor ze. Aardig hé, dat ik een ander ook iets gun!
O ja, en even iets anders. Het is best amusant in de trein:
Meisje 1: 'Winterberg ligt toch in Limburg?'
Meisje 2. 'Nee joh. Echt niet.'
Meisje 1: 'Waar dan?
Meisje 2: 'In Frankrijk. Suffie.'
Meisje 1: 'Nog een weekje en dan begin ik met mijn co-schap.'
Meisje 2. 'Ik pas in januari.'
Ik hoop dat ik over tien jaar nooit meer naar de dokter hoef!
¶ §Bruiloft van zusjelief en het knoflookmannetje (2)
‘Wát, heb je het weggegooid?’, riep ik naar zusjelief.
‘Nee ik niet. De aanstaande’, zei zusjelief.
‘Maar ik heb het nodig!’, zeurde ik.
‘Waarom dan?’, zei zusjelief.
‘Gewoon voor een foto’, zei ik.
‘Je vond het toch lelijk?’, zei zusjelief.
‘Het is bewijsmateriaal’, jammerde ik.
‘Bewijsmateriaal?’ herhaalde zusjelief.
‘Ja, dat het echt bestaat’, zuchtte ik.
‘Trouwens’, zei ik weer op normale toon.
‘Hoe was het in New York?’
‘Leuk hoor. Ze hebben geen knoflookmannetjes daar’, zei zusjelief gemeen.
Zo makkelijk kwam zusjelief niet van me af. Ik ging op internet opzoek naar het mannetje. Wel een uur lang surfte ik naar sites met bedankjes in de meest rare vormen en maten. Bijvoorbeeld houten kerstmannen (heel logisch voor een huwelijk), vliegenmeppers met hartjes en wuppie-bruidjes. Totdat het mannetje me chagrijnig aankeek. Dat zou ik ook doen als ik hem was. Het is echt niet leuk om zo door het leven te gaan. Ze hadden hem op zijn minst contactlenzen kunnen geven.

¶ §De dag dat mijn verwarming dienst weigerde
‘Voor je het weet zitten die beesten overal. Ze verstoppen zich het liefst op warme plaatsen. Bij de motor van je ijskast. Of in verwarmingsbuizen’, zei S. Ze wilde me bang maken voor de mogelijke kakkerlakken, maar ik had andere dingen aan mijn hoofd. De indeling van mijn flexkoffer bijvoorbeeld. En natuurlijk het iPod-vraagstuk. Ofwel, echte levensvragen. Totdat ik voor de eerste keer dit jaar mijn verwarming uitprobeerde.
Na een half uur was hij nog koud. Steenkoud. ‘Jee’, zei ik tegen de kachel (als je alleen woont ga je overal tegen praten). ‘Je doet het niet. Dan ga ik direct een monteur bellen. Straks gaat het vriezen vannacht en dan krijg ik wintertenen.’ Sinds de lagere school is dat een hele grote angst van mij. Met dank aan een schoolvriendinnetje die mij trots haar opgezwollen tenen toonde. Net paarse worstjes. Enkele jaren later stond ze als fotomodel in alle bladen, maar haar voeten zag je nooit op de foto. Mooi niet.
‘Waar is het nummer van de monteur?’, zei ik (weer tegen niemand in het bijzonder). En op dat moment ging het mis. Door de woorden van S. Die spookten opeens door mijn hoofd.
Of in verwarmingsbuizen. Of in verwarmingsbuizen. Of in verwarmingsbuizen... Opeens zag ik allerlei kakkerlakken een marathon lopen. Een hele grote marathon. Net als in New-York. Maar dan in mijn verwarmingsbuis. ‘Hou eens op jullie’, riep ik. ‘De monteur mag niet weten dat ik mogelijke kakkerlakken heb. Straks vertelt hij het door. En dan moet ik het huis uit. Jullie nieuwe baas is vast niet zo aardig als ik. Zeker niet voor mogelijke kakkerlakken.’ De kachel maakte een pruttelend geluid en hij hijgde wat.
Pruttel. Pruttel. Pffff. Pfff.
Mijn kachel werd weer warm. Zeer warm. En ik werd nog warmer. Van blijdschap. Ik wiebelde even met mijn niet-wintertenen. Ik droomde niet. Het was de realiteit. Mijn appartement zou binnen een half uur weer leefbaar zijn. Plus ik had nog tenen en geen paarse worstjes. Dat alles met dank aan de mogelijke kakkerlakken. Chapeau.
¶ §Niet flexibel genoeg
De tijdelijke werkgever en ik zijn geen onbekenden van elkaar. Ik werkte al eerder bij hem. Voor eventjes. En dat was best gezellig. Door de tijdelijke werkgever weet ik dat ik verwend ben. Want ik heb een eigen werkplek. Met een heel groot bureau en een dossierkast vol ordners. Wel 25. Ik heb ze vandaag geteld.
Natuurlijk heb ik ook een ladenblok. Je weet wel een rijdend kastje dat precies onder een bureau past. Daarnaast bezit ik eigen memoblaadjes, rode, zwarte en blauwe pennen, potloden, paperclips, nietjes en een stressbal. Sinds twee weken werk ik bovendien met een gloednieuwe, supersnelle computer. Wat wil je nog meer.
Bij de tijdelijke werkgever heb ik niets. Alleen een flexkoffer. Dat is handig joh. Er past één ordner in en een paar losse mapjes. Meer niet. De flexkoffer heeft wieltjes. Om hem makkelijk van het ene naar het andere bureau te verplaatsen. Bij de flexkoffer hoort natuurlijk een flexplek. Als je geluk hebt. Wanneer je wat later bent – bijvoorbeeld door een vertraagde trein – zijn alle flexplekken bezet. Dan moet je een speurtocht houden door het pand. Opzoek naar een leeg bureau. Ondertussen kijkt iedereen je aan. ‘Daar heb je weer dat zielige meisje zonder flexplek’, fluisteren ze dan. Alsof je dakloos bent.
Ik ben nu wat gespannen voor maandag. Alleen omdat ik me afvraag hoe ik al mijn nieuwe projecten in één koffer moet proppen. Ook weet ik nog steeds niet welke iPod ik wil. En dat is van essentieel belang. Een flexkoffer duwen met een
iPod om je nek is niet zielig, maar stoer. En ik moet aan mijn imago denken. Niet waar?
¶ §Muzikale intermezzo’s op het spoor
‘Zo’, zei de vaste baas. Vanaf maandag ga jij fijn werken in Amsterdam. ‘Ja, heel fijn’, zei ik. ‘Mij niet heus.’ Amsterdam is wel leuk. Maar de trein niet. De trein is vreselijk. Zeker als je een keer moet overstappen. Dat gaat altijd mis als je maar vijf minuten hebt. Ik kan niet zo goed rennen op hoge hakken. Sportschoenen vindt de tijdelijke baas geen goed idee. En ik ook niet. Dus de tijdelijke baas en ik kunnen het vast goed met elkaar vinden.
Er werken heel veel mensen in het kantoor van de tijdelijke baas. Wel meer dan 1.000. Misschien kom ik Outback Jack wel tegen. Vermomd in maatpak. Je weet maar nooit. Dus moet ik een beetje aan mijn imago denken. En daar hoort een iPod bij, zodat ik elke ochtend swingend uit de trein stap (als die rijdt dan). Dan denken alle kantoormannen: ‘Wat een leuke iPod met een nog leuker meisje.’ Het probleem is dat ik nog niet zo’n ding heb. Alleen een walkman en dat kan natuurlijk niet meer. Dan zou ik pas echt voor gek staan. Vooral met die van mij: een knalgele Sony-sportvariant. Die waren ooit hipper dan hip. Vooral in combinatie met een hele collectie cassettebandjes van Madonna. Maar nu zeer passé. Ik ga de gok dus liever niet nemen. Anders zegt iedereen: ‘Daar heb je weer zo’n provinciaaltje.’ Wat ik ook ben, maar dat doet er niet toe.
Het goede nieuws is, dat ik straks een heel mooi uitzicht heb. Vanaf de achtste verdieping kijk ik uit op een aantal spoorlijnen en treinen (nogmaals als ze rijden) en een voetbalstadion. Wat heeft dat nou met een Ipod te maken? Veel. Rondom dat voetbalstadion zijn allemaal winkels. Er is ook een hele grote markt. Een soort overdekte hal waar ze allerlei apparaten verkopen. Voor weinig. Stofzuigers, elektrische slagroomkloppers, mobiele telefoons, wasmachines, camera’s, staafmixers. En jullie raden het al...
¶ §Bye bye baby
Contactpersonenlijstjes zijn vreemde dingen. Vaak staan ze vol met erfenissen uit een ver verleden. Dat gebeurt ongemerkt. De vreemde snoeshaan is zo’n erfenis. Iemand die je ooit een ‘vriend’ noemde. Het is een grote flirt. Nee, een supergrote flirt. Urenlang kun je samen mailen of chatten over niets. En dat is best lollig. Maar een serieus gesprek op zijn tijd is ook leuk. Omdat je best om de vreemde snoeshaan geeft. Op jouw manier dan. Ondanks alles. Spontaan verdwijnen doet de vreemde snoeshaan niet. Hij slaat dan ook bij voorkeur toe op onverwachte momenten… Om snoeshanenspelletjes te spelen.
Mijn hand maakt in zo’n geval continu schijnbewegingen naar de delete-toets. Links, rechts, voor, achter, weer naar links. Erger nog: mijn hand neemt opeens vitale functies van mijn hersenen over. ‘
Zou je dat nou wel doen? Op delete drukken? Dat zou ik niet durven. Misschien krijg je de volgende keer een oprechte mail? Morgen of over een week? Stomkop die je bent. Of een e-card? Je krijgt er spijt van. Ja, spijt. Het is erg moeilijk voor sommige mensen om over serieuze onderwerpen te praten. Dat zou jij moeten weten. Maaike.’ Erg vermoeiend. Zo’n hand die met je meedenkt. Ik kan het niet aanraden. Je zou hem het liefste op de vingers willen tikken. Maar een hand in deze toestand kun je beter niet boos maken. Weet ik uit ervaring.
Je smeedt daarom snode plannen om de snoeshaan te stoppen. Zoals het opblazen van een MSN-server; een enkeltje Afrika zonder internet of e-mail; hem bedreigen met een knoflookpoppetje of een sekseverandering. De snoeshaan valt niet op mannen. Maar dit alles is een beetje te ingewikkeld. Het bestrijden van een kakkerlak is gemakkelijker. Bovendien vind ik het wel leuk om een meisje te zijn.
Toch heb ik vandaag de strijd met de hand gewonnen. Poeh. Net als Ajax die opeens weer kan winnen. Alleen betekent ‘goal’ in mijn geval gewoon ‘delete’.
Bye bye baby!
¶ §Bruiloft van zusjelief en het knoflookmannetje
Het duurt nog een maand of zes en dan is het zover. De bruiloft van zusjelief. Tot die tijd ga ik iedereen vermaken met verhalen over de voorbereiding. Te beginnen met het geheimzinnige plastictasje en het knoflookmannetje.
‘Waar is dat tasje van?’, vroeg ik aan zusjelief.
‘Doet er niet toe’, zei zusjelief.
‘Jawel. Ik wil het weten’, zei ik.
‘Het is gewoon van de beurs’ zei zusjelief.
‘De vakantiebeurs?’ zei ik hoopvol.
‘Nee de Love & Marriage beurs’, antwoordde zusjelief.
‘Wahahaha’, zei ik. ‘Ik wil kijken.’
‘Nee. Echt niet’, zegt zusjelief. ‘Dan lach je me uit.’
`Toe nou. Ik wil bruidsjurken zien.’
Daarna volgde nog wat getouwtrek met het tasje. Natuurlijk won ik het van zusjelief. Oudere zussen winnen het altijd van jongere zussen. Oké, zusjelief heeft eerder een man dan ik en ze gaat ook nog eens eerder trouwen dan ik. Maar dat telt voor het gemak even niet mee.
‘Wat is dit nou? Een teentje knoflook?’, riep ik naar zusjelief.
‘Nee, dat is een bedankje voor de huwelijksgasten, zei zusjelief
‘Nou het lijkt op een knoflookmannetje met een brilletje op’, zei ik.
‘Het is ook een knoflookmannetje met een brilletje op’, zuchtte zusjelief.
‘Vind je het leuk?’, vroeg ik aan zusjelief.
‘Nee, maar ik kreeg het cadeau’, zei zusjelief.
‘Vindt de aanstaande het dan leuk?’, vroeg ik weer.
‘Je stelt wel veel vragen hé’, zei zusjelief geïrriteerd.
‘Oké, dan wil ik nu plaatjes van jurken zien’, zei ik tegen zusjelief.
‘Als je zo graag jurken wil zien….’, zei zusjelief triomfantelijk.
‘Dan ga je de volgende keer maar mee naar de beurs.’
Er zijn grenzen.
Helaas kan ik op dit moment geen foto laten zien van het beruchte knoflookmannetje met bril. Zusjelief moest namelijk zo nodig naar New-York met haar aanstaande (zij wel). Dus is hun huis even gesloten. En ik ben een beroerde inbreker. Volgende keer beter.
¶ §De romatische kakkerlak en het debuut op Talpa
‘Joehoe’, riep ik naar de verborgen kakkerlakken. ‘Kom maar op als je durft.’ Maar het bleef stil. Geen trappelende kakkerlakpootjes op mijn aanrecht, geen woedekreetjes. Niets. ‘Tsss’, zei ik. ‘Bangeriken. Ik ben tenminste niet bang voor een kakkerlak of twee.’ Nou ja, behalve dan als ik ’s nachts iets over mijn been voel lopen. Dan mag ik best even gillen, op het bed springen en het licht aandoen. Of andersom. Maar theoretisch gezien kan het dan ook een ander beest zijn dan een kakkerlak. Een schorpioen bijvoorbeeld of een varaan. Weet ik veel wie er allemaal in mijn vakantiekoffer zijn gekropen.
‘Weet je’, zei ik tegen de verborgen kakkerlakken. ‘Ik heb mijn ochtendrituelen aangepast. Dus jullie ontglippen me toch niet.’ En dat is waar. Na het uitpersen van de sinaasappels komt nu de kakkerlakinspectie. Dat betekent dat je gewapend met een vliegenmepper (bij gebrek aan een kakkerlakkenmepper) alle muren in je huis moet inspecteren. Nu is het in mijn geval maar goed ook dat ik een klein appartement heb. Want anders was ik helemaal boos geworden op het
bestrijdingsbedrijf.
Maar in feite is het allemaal de schuld van de commerciëlen. Talpa en zo. Die zorgen ervoor dat iedereen steeds commerciëler wordt. Als de commerciëlen niet zo commercieel waren, dan wist ik nu zeker dat het bestrijdingsbedrijf de waarheid heeft gesproken. En dan had ik de kakkerlakinspectie achterwege kunnen laten. Straks verzinnen ze nog een Big Brother voor kakkerlakken, waarbij je live op tv kunt zien hoe de kakkerlakeitjes uitkomen (© Maaike). En dan moet het publiek raden hoeveel het er zijn. Of geschikte namen verzinnen. Maar dat is niet zo handig, omdat een kakkerlak ongeveer tweehonderd eitjes per keer legt. In ieder geval wil Beau dan vast wel de presentator zijn. In plaats van Ruud. Beau is veel leuker dan Ruud. Oké, ik dwaal een beetje af van het probleem. Je weet het dan ook maar nooit met de commerciëlen van tegenwoordig.
¶ §De romantische kakkerlak en ik
Ongeveer drie weken geleden:
‘Mag ik mee naar Nederland?’, vroeg de kakkerlak uit Marrakech.
‘No way’, zei ik.
‘Ook ik heb recht op vakantie’, zei de kakkerlak.
‘Je zou je vriendjes gaan missen’, zei ik.
‘Dan neem ik die toch gewoon mee’, riep de kakkerlak hard.
‘Dat is nog een veel slechter idee’, riep ik nog harder.
`Dat bepaal ik zelf wel’, zei de kakkerlak.
‘In Nederland houden wij niet van kakkerlakken’, benadrukte ik.
‘Liefde kan groeien’, zei de kakkerlak’
‘Ik zal je geen eerlijke kans geven’, zei ik.
`En toch wil ik mee’, zei de kakkerlak.
Ongeveer twee weken geleden:
‘Wat doe jij nou hier?’, gilde ik hysterisch tegen de kakkerlak.
‘Doe eens even rustig. Ik ben het maar’, zei de kakkerlak.
‘Ik heb toch gezegd dat je in Marrakech moest blijven.’
`En ik heb toch gezegd dat ik met je mee wilde.’
‘Nu gaan we niet bijdehand doen hé’, zei ik tegen de kakkerlak.
‘Ik ben niet bijdehand, maar redelijk’, zei de kakkerlak.
‘Gatver. Ik vermorzel je’, riep ik.
‘Dat durf je toch niet’, riep de kakkerlak.
`Echt wel’, zei ik
‘Hallo met de bestrijdingsdienst.’
‘Ja hallo met M.’
‘Ik heb een kakkerlak in huis.’
‘Waar komt het beestje vandaan?’
‘Uit Marrakech. Hij is in mijn tas gekropen.’
‘En waar is hij nu?’
‘Dood. In mijn vuilnisbak met een steen erop.’
‘Waarom ligt er een steen op?’
‘Straks komen zijn vriendjes afscheid nemen en daar heb ik geen zin in.’
‘Die kunnen hier niet overleven hoor.’
‘Weet je het zeker? En de eitjes?’
‘De eitjes ook niet.’
‘O. Dus de steen is een ietsepietsie overbodig.’
`Ja, dat klopt.’
‘Nou oké, tot ziens bestrijdingsdienst.’
‘En als je nog een kakkerlak ziet, dan bel je maar.’
Help. Dit zinnetje blijft door mijn hoofd spoken. Ik heb toch geen commerciële bestrijdingsdienst gebeld?
¶ §Tijd voor actie in de bitterballenkroeg
Kennelijk moet ik het niet hebben van parkeerplaatsen ergens in het midden van het land. Dus besloten de collega en ik dat het tijd was voor actie. En wel in de bitterballenkroeg. Dat is pas een concept. Een kroeg waar gratis snacks worden geserveerd bij de vrijdagmiddagborrel. Daar komen hongerige mannen op af. Behalve als de collega en ik in de buurt zijn. Dan doen ze opeens spontaan aan de lijn of zo.
‘Zie jij iets interessants?’, vraagt de collega.
‘Nee’, zeg ik. ‘Helemaal niets.’
‘Moet je die met die trui zien. Die is fout.’
‘Ja, dat kan écht niet. Hij lijkt wel een hockeyspeler uit de jaren zeventig.’
‘Maar die met de gordijntjesharen is wel leuk.’
‘Hij staat te ver weg.’
‘Zet je bril dan op.’
‘Nee echt niet. Dan zie ik er veel te streng uit.’
‘Pas op hij kom hierheen.’
Toevallig moest de jongen (of man) met de gordijntjesharen daarna naar de wc. Dus konden de collega en ik hem even van dichtbij bekijken.
‘Ziet er inderdaad best oké uit. Maar ik denk dat hij te oud is.
‘Nee echt niet. Zeker niet voor jou. Jij bent nu dertig plus.’
‘Wedden dat hij al bijna veertig is?’
‘Nee joh. Hooguit 35.’
‘Als hij terugkomt dan letten we extra goed op.’
En daar werd de jongen (of man) met de gordijntjesharen nogal zenuwachtig van.
‘Zag je dat? Hij viel over het trappetje.’
‘Volgens mij werd hij nerveus van ons
‘Nee joh zijn haar hing gewoon in zijn ogen.’
‘Of hij is nu al dronken.’
‘Daar heb je niets aan. Een man die nog onhandiger is dan wij.’
‘Hij heeft vast ook geen richtinggevoel.’
‘Nee, als je niet eens normaal kunt lopen…’
En zo was ook Outback Jack nummer twee deze week geen echte Outback Jack. Best ingewikkeld zo’n speurtocht.
¶ §'Hoi meisje zonder richtinggevoel. Wil je een keer met me uit?'
Ergens op een parkeerplaats in het midden van het land
‘Carpool jij ook vandaag?’ zegt de leuke jongen.
`Ja’, zeg ik. ‘Mijn collega weet een sluiproute’
‘Ken je die zelf niet dan?’
`Jawel, maar ik ben deze week niet zo goed in routes.’
‘Ik heb wel een kaart voor je hoor.’
`Dat is niet nodig hé. Mijn collega haalt me op.’
`O ja. Dus hij mag de hele dag met jou op stap?’
`Hoe weet je dat het een hij is?’
`Vrouwen kennen geen sluiproutes.’
`Ik wel hoor. Alleen deze week even niet.’
`Woon je hier dichtbij? Ja. Daar en daar.’
`Daar en daar. Dat is niet bij mij in de buurt. Helaas.’
`Mijn collega komt eraan. In die grijze auto.’
`Dan zie ik je misschien vanavond nog wel.’
`Ja, misschien.’
Maar natuurlijk was de leuke jongen aan het eind van de dag spoorloos verdwenen. En uiteraard zat er geen briefje onder mijn ruitenwissers met een spannende tekst: ‘Hoi meisje zonder richtinggevoel. Wil je een keer met me uit?’ Dat gebeurt alleen in films met Meg Ryan en Tom Hanks. In plaats daarvan startte ik mijn auto en begaf mij richting huis. Pas een paar uur later realiseerde ik me dat dit wel eens de perfecte
Outback Jack had kunnen zijn…
¶ §Week van de foute routes
‘Collega heb jij na de sluis een scherpe bocht gezien?’
‘Ja, direct na de bootjes.’
‘Bootjes?’
‘In de haven daar.’
`Haven?’
‘Sta je wel voor de goede sluis?’
‘Weet ik niet. Welke kant moet ik op bij de splitsing?’
`Naar links. Richting centrum.’
‘Aha. Ik ging naar rechts. Maar daar is ook een sluis.’
`Dat is geen sluis, maar een ophaalbrug.’
`Maar wel één die lijkt op een sluis.’
‘Je moet in ieder geval terug.’
‘Okay.’
‘Hoi’, met M. weer
‘Ik zie geen hogeschool maar een kerk.’
‘Je moet voor de hogeschool naar links.’
'Luister eens. Ik zie geen school. Alleen een kerk.’
‘Dan ben je te vroeg naar links gegaan.’
'Nee, echt niet. De routebeschrijving klopt niet.’
‘Die klopt wel. Ik ben er al.’
‘Ja, maar jij bent er al een keer geweest.’
‘Ga maar gewoon terug.’
‘Okay.’
‘Ik kan de ingang niet vinden.’
‘Rechts in de parkeergarage.’
‘Ik sta rechts.’
‘Nietes je staat links.’
‘Hoe weet jij dat nou?’
‘Dat kan ik zien vanaf hier. Dus terug…’
‘Okay.’
Zou
Outback Jack voortaan ook met mij mee willen op klantenbezoek?
¶ §‘Bijna lieg ik dat ik thuis een vierling heb’
‘Zo’, zegt de verkoopster van de winkel vol babyspullen.
‘Kan ik je helpen?’
‘Nee’, zeg ik. En ik zet mijn ik-ben-een-baby-expert-gezicht op.
Ze trapt erin. Half.
‘Als je mijn hulp nodig hebt, dan roep je hé?’
‘Ja, dan roep ik.’ Punt. Wat mij betreft.
Maar de verkoopster van de winkel vol babyspullen gaat nog even door. ‘We hebben zulke snoezige mutsjes... Je kunt het beste maat 62 nemen… Dat is niet te groot en niet te klein... Pas je wel op voor het wisselen van de seizoenen… Leuk hé rood… Dat kan voor een jongen en een meisje…' Ze is bijna net zo erg als de verkoper van de Halfords als ik iets voor mijn auto nodig heb. Met als enige verschil dat ik van autospullen echt geen verstand heb.
Bijna lieg ik tegen haar dat ik het allemaal wel weet. En dat ik thuis een vierling heb en een peuter van bijna drie. Maar dat is verdacht. Dan wil ze straks de foto’s zien die ik vanzelfsprekend niet heb. In de ogen van de verkoopster van de winkel vol babyspullen kun je beter een niet-moeder, dan een slechte moeder zijn. Bovendien weet ik maar twee leuke kindernamen. En ik wil al helemaal niet de slechte-moeder-met-de-foute-kindernamen zijn. Tjonge, best ingewikkeld dit.
Ik vind babycadeautjes kopen heel leuk. Maar ik doe het liever alleen en zonder – vaak betuttelende - hulp. Dat kan ik best. Want, al heb ik nu geen kinderen… Shoppen behoort tot mijn tweede natuur… Of het nu voor mezelf, senioren of baby’s is…
¶ §‘Een gat in de markt. Zo’n Outback Jack die je kunt leasen voor een dagje’
‘Zie jij nog een paaltje?’
‘Ik zie al een kwartier geen paaltjes meer’
‘En toch denk ik dat we goed lopen.’
‘Weet je het zeker?’ vraag ik
‘Soort van. Hier ligt wel heel veel blubber hé?
‘Ja, en dit is een boswandeling en geen survival of the fittest.’
‘Dan lopen we misschien – heel misschien - toch fout.’
‘Ik zie wel een rood paaltje, maar we moeten een gele hebben.’
‘Misschien is de paaltjesmijnheer kleurenblind.’
‘Of wij lopen gewoon verkeerd.’
‘Nee, hij is vast kleurenblind.’
‘Volgens mij moeten we terug.’
‘Oké dan.’
‘De volgende keer nemen we Outback Jack mee.’
‘Deal.’
Theoretisch gezien heb je Outback Jack helemaal niet nodig in het Amerongse Bos. Het is heel simpel. In het geval van situatie één dan. Je volgt een vaste route die is aangegeven met gele paaltjes. In totaal is het rondje precies 7,1 kilometer. Wandeltijd ongeveer 100 minuten afhankelijk van leeftijd en tempo. Daarna mag je geheel legaal – er is gesport – warme chocolademelk drinken en appeltaart eten in het pannenkoekenhuis. In het geval van situatie twee is het een ander verhaal. Je stuurt twee vrouwen het bos in. Bij voorkeur zonder richtingsgevoel. Je wijst ze de weg aan de hand van gele paaltjes. Daarnaast zorg je voor voldoende gespreksstof, zodat de aandacht wordt afgeleid van de route. Het resultaat is dat de 7,1 kilometer wordt verdubbeld naar 14,2. En de wandeltijd van 1,5 naar ongeveer drie uur. Op zich is dit positief voor de paaltjesmijnheer, want die hoeft geen lange route uit te zetten. Maar niet zo gunstig voor twee vrouwen die snel pijn in hun voeten krijgen en geen tijd meer overhouden om appeltaart te eten. In dat geval biedt Outback Jack uitkomst. Een stoere man die op de route let én je opvangt als je over een boomstam struikelt. Of uitglijdt over natte bladeren.
‘Een gat in de markt. Zo’n Outback Jack die je kunt leasen voor een dagje.’
‘Ja, maar hij moet wel van appeltaart houden.’
‘En van warme chocolademelk met slagroom.’
¶ §‘In plaats van taart nam ik Ibuprofen’
De pijn zeurde al een tijdje. Ook op de ochtend van mijn verjaardag. Maar op die dag ziek zijn, dat is taboe. Ik begaf me naar mijn werk met gemene steken in mijn kaakholte. En deed wat ik moest doen. Trakteren en cadeaus in beslag nemen. In plaats van taart nam ik Ibuprofen. In de loop van de dag nam de pijn alleen maar toe. ’s Avonds zou mijn huis vol visite zitten, dus ik verhoogde illegaal de dosis pijnstillers. Daarbij nam ik de kans op maagbloedingen voor lief. Ook dat hielp niet. Bah! Bijholteontsteking! De visite stond om precies acht uur voor de deur. En om half negen gingen ze op mijn verzoek weer naar huis. Ik moest slapen. Wakker blijven, is best lastig als je lijf schreeuwt om rust. Heel veel rust. Waarschijnlijk had ik ook in gezonde toestand liever mijn verjaardag onder de dekens doorgebracht. Omdat ik voor het eerst een jaartje ouder werd zonder vader.
Doordat 29 september (mijn verjaardag) in mijn logstilte viel, is dit logje niet meer zo actueel…
¶ §‘Alleen maar naar de sterrenhemel kijken die zojuist is verschenen.’
Achter mij verdwijnt de bedevaartsplaats Moulay Idriss. Ik weet niet dat de heilige stad straks weer zal opduiken als ik op een heuvel van een zonsondergang geniet. Het is zes uur ’s avonds en de zon staat laag. De Romeinse ruïnes van Volubulis zijn gehuld in een gouden glans. `Duizenden jaren geleden ontdekten de Romeinen dit deel van Marokko’, vertelt iemand. Ik ben er trots op dat ik ook de kans krijg om deze bijzondere plek te bezoeken. Een gids vertelt een verhaal waar ik niet naar luister. Ik wil alleen maar genieten. Van de bijzondere sfeer van deze historische plaats. En het uitgestrekte Noord-Afrikaanse landschap dat mij volledig omringt. Heel in de verte zie ik Moulay Idriss weer liggen. De zon gaat onder en dat benadrukt de magische sfeer. Ken je dat plaatsen waar je van zwijgt? Waar je volledig wil opgaan in je omgeving? Dat is Volubulis. Het kan mij even niets schelen dat hier mozaïeken liggen die de Griekse held Hercules afbeelden. Of dat er resten zijn van baden en aquaducten. Ik wil alleen maar naar de sterrenhemel kijken die zojuist is verschenen. En stil zijn. Muisstil.
¶ §‘Onze tassen rammelen door de zilveren theepotten en aardewerken schalen’
Een gids loodst ons een tapijtwinkel binnen. Ik neem plaats op een bankje van rode pluche. Terwijl de eigenaar muntthee zet, trakteert een assistent ons op een tapijtpresentatie. Het zijn geen fraaie exemplaren. Sterker nog: ik zou ze niet eens aan mijn enge onderbuurman cadeau doen. Door het enthousiasme van de verkoper krijg ik last van plaatsvervangende schaamte. Ik weet nu al dat ik niet met een opgerold tapijt onder mijn arm de winkel zal uitlopen. Maar hij doet zo zijn best… Mijn ogen dwalen naar een portret aan de muur. De vader en moeder van de huidige koning. Ook mijn reisgenoten kopen niets. ‘Kijken, kijken maar niet kopen’, zegt de verkoper. Het enige Nederlands dat hij kent. Maar hij weet ongetwijfeld niet dat zijn winkel de laatste is in een héle lange rij. Onze tassen rammelen door de grote hoeveelheid zilveren theepotten en aardewerken schalen. Twee van zijn collega’s hebben me zelfs een Marokkaanse jurk aangetrokken. Bovendien ben ik moe. Om vier vanmorgen werd ik gewekt door het geluid van het ochtendgebed en het geschreeuw van een krolse kat. Een unieke wekker. De hoeveelheid indrukken die ik vandaag heb opgedaan in de koranscholen, paleizen, pottenbakker- en leerlooierijen is ongekend. De middeleeuwse medina bestaat uit 9.000 straatjes die samen één groot labyrint vormen. Verdwalen is een must. Fes is een feest voor je zintuigen…
¶ §‘Ik besef me dat ik meer een Boeiing 747 type ben’
‘Gaan we met dát ding?’ Ik wijs met mijn vinger in de richting van een speelgoedvliegtuigje. Klein en in mijn ogen behoorlijk krakkemikkig. En daar sta ik dan. Op het vliegveld van Casablanca. Voor het eerst van mijn leven met knikkende knieën door vliegangst. ‘Alleen de kippen ontbreken nog’, zeg ik tegen een reisgenoot. ‘Net als in van die foute Amerikaanse films.’ Ik besef dat ik meer een Boeiing 747 type ben. Maar ik wil wel naar Fes. Heel graag zelfs. Dus stap ik in het vliegmachientje waar niet meer dan veertig mensen en een stewardess – jawel – inpassen. Bij het opstijgen draaien de propellers vrolijk rond. ‘Wij zijn best veilig hoor’ lijken ze te fluisteren. Ik ben niet gerustgesteld. Angstig kijk ik naar buiten. Onder mij verandert het Marokkaanse landschap van dieprood naar geel en alle schakeringen oranje. De mensen in de lemen huizen hebben geen idee van de bange Hollander die boven hen zweeft. De stewardess perst zich door het gangpad met een drankjeskar. Ik ben te misselijk om iets te drinken. De laatste twintig minuten raak ik in gesprek met mijn buurvrouw. Over Rome. Met een luide bons landt het vliegtuig in Fes. De zon gaat net onder en de prachtige fuchsia lucht brengt mij direct in de juiste stemming. Een gelukzalig gevoel. Meer heb je niet nodig om van je vakantie een succes te maken.
¶ §Share my world
Een mooi synoniem voor weblog is uitlaatklep. En dat is precies wat ik een jaar geleden nodig had: een uitlaatklep. Om het even over andere dingen te hebben dan de nare dingen die op dat moment speelden. Een weblog is ook een middel om je ogen te openen. Ofwel, aandacht te hebben voor alles wat er om je heen gebeurd. Kleine emoties, grote natuurrampen, maar ook tv-programma’s of boeken. Talloze onderwerpen passeerden hier de revue. Een irritante verkoopster in de supermarkt. Zeeschildpadden in Costa Rica. De Slachtoffers van de Tsunami. De zwangerschap van een goede vriendin. Maar het belangrijkste voor mij was het overlijden van mijn vader. Vandaag precies drie maanden geleden. Een heftig jaar dus. Zelfs zo intens dat ik overwoog te stoppen met mijn log. Dit kwam voort uit een soort angst voor het onbekende. Angst dat ‘Tussen Ons’ zou worden gevuld met nog meer groot verdriet. Maar inmiddels ben ik van gedachten veranderd. In de paar weken waarin ik niet heb gelogd, ben ik een jaartje ouder geworden; heb ik een prachtige reis gemaakt; heeft mijn vriendin een kerngezonde dochter op de wereld gezet en is de trouwdatum van mijn zusje definitief vastgelegd. Zoveel positiefs in zo’n korte tijd… Mijn vingers jeukten om dat met iedereen te delen! Ik kan daarom niet wachten om weer 365 virtuele 'pagina’s' te vullen. Te beginnen met de duizenden indrukken die ik in Marokko heb opgedaan. She’s back!