¶ §Engerd
Mensen die mij chanteren daar houd ik niet van. Tien jaar geleden liep ik stage in een uitgeverij. Voor kleurenkopieën moest ik naar de bijbehorende drukkerij. Dat was lastig. De jongen van de drukkerij vond mij leuk. En hij wilde alleen maar de machine aanzetten als ik met hem ging lunchen. ‘Ja hoor. Dat lijkt me gewéldig’, zei ik dan. Dat was natuurlijk gelogen. Ik had gewoon snel mijn kopieën nodig. De jongen van de drukkerij was een grote engerd. En mensen die chanteren daar mag je tegen liegen. Althans dat vond ik destijds. Op de laatste dag van mijn stage kwam hij me halen. Ik zag hem aankomen door de glazen deuren van de receptie. ‘Zoek dekking!’ riep ik. Waarna ik een veilig plaatsje vond onder de balie van de receptioniste. ‘Ik ben er niet’, fluisterde ik haar toe. ‘Ik zoek jullie stagiaire’, zei hij. ‘Die is al naar huis’, zuchtte de receptioniste. ‘Je hebt haar net misgelopen.’ Dat moest ze wel zeggen. Ik had haar enkel in de houdgreep. En bovendien kan ik hard knijpen. ‘Het is pas twaalf uur. Dat is vroeg’, riep hij uit. ‘Ze had geen werk meer’, antwoordde de receptioniste met een zucht. ‘Trouwens, voor Maaike moet je op je knieën hoor. Het is geen makkelijk meisje…’ Ze had gelijk. In meer dan één opzicht.
Moraal van dit verhaal: helaas is er niet altijd een balie bij de hand om je onder te verstoppen…
¶ §Alleen
Kom je strakjes bij me spelen
'k Heb ook poppen en een koek
En een boek met vliegtuigplaatjes
Een pistool met schijf
Kom je strakjes bij me spelen
'k Heb ook nog een step te leen
En ik ben alleen
Dit was vroeger mijn lievelingsliedje van
Kinderen voor Kinderen. Jawel, ik was een fan. Ondanks dat ik als kind vrijwel nooit alleen was. Ik had een jonger zusje met wie ik altijd kon spelen en heel veel vriendinnetjes. Dat is altijd zo gebleven. Want, ik ben een gelukkig mens. Er zijn altijd mensen in de buurt om lief en leed mee te delen.
Dan komt er een groot
verdriet in je leven. Het is er als je opstaan en het is er als je weer gaat slapen. En het einde komt niet in zicht. Sterker nog: het wordt alleen maar erger. Dit moet je allemaal verwerken. Anderen kunnen je afleiden. Ervoor zorgen dat je alle ellende even vergeet. Maar alle tranen met je meedragen, dat moet je zelf doen. Dat is eenzaam. En zwaar. Vooral als je meermalen ondervindt dat begrip niet altijd rekbaar is.
Op dit moment ben ik moe. Ik wil niet meer uitleggen hoe ik me voel. Maar dat iedereen het vanzelf snapt. En dat is egoïstisch. Mensen kunnen niet altijd rekening met mij houden. Toch is dat soms heel fijn. Iemand hebben die even aan je denkt. Iemand die iets liefs voor je doet. Ik heb gewoon een dikke vette knuffel nodig. Met een gouden randje. Helaas is de Bart Smit dicht op zondag. Heb ik weer.
Morgen weer een grappig stukje, nu echt beloofd. Anders gaan jullie nog rare dingen denken.
¶ §Zagen jullie deze ook gisteren?

¶ §Maskers af
‘
Voor jou zet ik mijn masker af.’ Iemand heeft dat ooit tegen mij gezegd en dat vond ik heel mooi. Pas later ontdekte ik een cd van Marco Borsato in zijn auto. Pffff. Zijn woorden waren gestolen van een Borsato-tranentrekker. En dat vond ik niet leuk. Het ergste was bovendien dat hij er niets van meende. ‘Met jou speel ik geen spel’, gaat het lied verder. Gelukkig heeft hij dat nooit gezegd. Want dat was pas een leugen geweest. Hij is juist één van de mensen die bij mij een masker op hebben gezet. Het is daarom meer dan tien maanden per jaar carnaval. Maar soms gooi ik het even af. Zonder schroom. Helaas zijn die momenten te zeldzaam. Soms zou ik wel eens vreselijk uit de band willen springen. Of aan een bijzonder iemand mijn gevoelens duidelijk maken. Toch doe ik het niet. Mijn verstand heeft te veel en te vaak de overhand. Met dank aan de fan van Marco B. en vele anderen. Aan hen heb ik één advies. Trek een bivakmuts over je hoofd en verdwijn met je mooie praatjes. Houdoe! Probeer niets, want voor jullie geldt maar één ding. ‘Ze wil alleen maar vrij zijn!’ Om ook maar even een zanger te citeren. Ik noem geen namen.
Met mijn pols gaat het veel beter. Binnenkort weer (bijna) elke dag nieuws!
¶ §In een deuk
Het meisje loopt zenuwachtig onze receptie binnen. ‘Is die grijze Audi van jullie?’, vraagt ze. ‘Nee’, zeggen wij. ‘Die is waarschijnlijk van het bedrijf hiernaast.’ ‘Hier links naast?’ Het meisje krijgt blosjes op haar wangen. ‘Ja’, zeggen wij. ‘Dan heb ik een probleem. Ik heb er een deuk ingereden.’ ‘Dan ga je dat toch netjes even zeggen?’ ‘Jawel, maar ik heb nu ook een sollicitatiegesprek. Bij hetzelfde bedrijf.’ Oeps, dat is pijnlijk. Het meisje is (terecht) erg zenuwachtig. Als ze naar de buren loopt, lopen er zweetdruppeltjes over haar gezicht. Ze kijkt nog even naar de grijze auto. ‘Het is de auto van de directeur’, zeg ik tegen mijn collega. ‘Weet ik’, zegt hij. ‘Dat heb ik bewust niet gezegd. Dan was ze vast flauwgevallen. Ben benieuwd of ze de baan krijgt.’ ‘Ik ook’, zeg ik. Terwijl ik een deuk lig…
¶ §Daar komt de bruid!
Jullie denken vast dat ik niets meer te vertellen heb. Dat klopt niet. Ik heb juist heel goed nieuws. Voor de verandering. Mijn zusje is ten huwelijk gevraagd. Dat vind ik natuurlijk erg leuk. Want zelf wil ik nooit trouwen. Dat vind ik zonde van het geld. En je moet er een man voor hebben (detail). Maar het lijkt me geweldig om samen met mijn zusje háár jurk te kopen. Dan kan ik ook eens rondneuzen in zo’n winkel. Ik mag mee omdat ik een expert ben. Acht jaar geleden heb ik even bij hét tijdschrift voor bruiden gewerkt. Niet lachen. Dus ik ben dé persoon om ervoor te zorgen dat zuslief straks niet lijkt op een roomsoes. Grote strikken op je kont kunnen bijvoorbeeld niet. Pofmouwen ook niet. En hoepelrokken zijn bijzonder lastig. Dat heb ik haar al verteld. Maar het maakt niet uit wat ze draagt. Ze is vast de allermooiste bruid van de hele wereld. Toevallig. Bovendien heb ik nu al afgesproken dat ze het bruidsboeket in de richting gooit van een bepaald persoon. Ik noem geen namen… Wordt vervolgd.
¶ §2010
Ik weet wat ik vijf jaar geleden heb beloofd. Maar toen was toen. Willen jullie daarom niet in het archief kijken bij 15 mei 2005? Please. Vandaag heb ik al 25 keer door de reisgids gebladerd. Mijn blik blijft continu hangen op Gambia. De witte stranden lonken. Echt waar hoor – maak ik mezelf wijs – de witte stranden. En beloften zijn er om te doorbeken. Niet waar? Ik wil een cocktail uit een kokosnoot met een knalroze rietje. Dansen op swingende Afrikaanse ritmes. Een massage. Genieten. Met een zucht trek ik een grijze haar uit mijn hoofd. Mijn vijfde al deze week. Het was ooit bruin, maar sinds een jaar verandert de kleur. Een beetje zomerzon zou veel goed maken. Daar worden mijn lokken weer lekker blond van. Hoewel we qua weer niets te klagen hebben. Het broeikaseffect doet zijn werk. Het is pas 17 mei, maar nu al 26 graden buiten. Ik open de balkondeuren van mijn gloednieuwe appartement en voel de zon op mijn gezicht. Afrika lijkt opeens erg ver weg. Een vage droom. Misschien moet ik wat meer genieten van het moment. Morgen is alles weer anders. Dat hoor ik zo langzamerhand wel te weten. Is het echt zo dat wijsheid komt met de jaren? Of ben ik stiekem nog steeds dat meisje van dertig?
Hoe zie jij jezelf in 2010? Die vraag kreeg ik van
Annefloor. Het afgelopen jaar heb ik geleerd om wat meer van de kleine dingen te genieten. Vijf jaar is lang genoeg om dromen waar te maken. En te kort om een ander mens te worden. Maar dat wil ik ook niet. Ik voel me goed nu en ik ben gezond. Mijn wens is dat daar in 2010 geen verandering in komt.
Barbara,
Fash en
Karin aan jullie de eer om dit stokje (vrijwillig) over te nemen. Gewoon omdat ik wel benieuwd ben naar jullie toekomstplannen!
¶ §Au...
Ik heb een pijnlijke rechterarm, dus ik moet mijn pc even wat meer met rust laten... Daarom morgen pas weer een logje (hoop ik). Ondertussen ben ik hiermee bezig...

¶ §Op mannenjacht in Gambia
Ik wil met vriendinnen een weekendje weg of een weekje. Maar waarheen?
Ik: ‘Gaan we nog een weekendje weg? Of een weekje?’
K: ‘Ik heb een leuke aanbieding binnen voor Gambia.’
C: ‘Daar wil ik niet heen hoor. Dat is een land voor hopeloze 40+ vrouwen.’
Ik: ‘Hoezo?’
C: ‘Die gaan naar Gambia om een Afrikaanse man te kopen.’
Ik: ‘Dat zal wel meevallen.’
C: ‘Nee hoor. Het is echt zo.
Ik: ‘Dan toch maar naar New-York?’
Naar Gambia om je een weekje te laten verwennen door een Afrikaanse held… Ik had er nog nooit van gehoord. Amper een week na bovenstaand gesprek luister ik in de sportschool een gesprek af. Tussen Riet (eind dertig, zonnebankbruin en té blond) en haar vriendin Jopie.
Jopie: ‘Hoe was het in Gambia?’
Riet: ‘Ik ben verliefd op een Afrikaan.’
Jopie: ‘Echt?’
Riet: ‘Hij is fantastisch. Twee weken lang was ik zijn prinsesje.”
Jopie: ‘Maar is Gambia niet erg ver weg?’
Riet: ‘Hij heeft telefoon en er is een internetcafé in zijn dorp.’
Jopie: ‘Komt hij naar Nederland?’
Riet: ‘Hij zegt van wel.’
Jopie: ‘Dan wil ik hem zien hoor.’
Riet: ‘We hebben net nog gebeld. Hij noemt me schatje . Lief hé?’
Jopie: ‘Hoe duur is een ticket naar Gambia?’
Ik zie het helemaal voor me. Riet en haar Afrikaan. Zij is als een blok gevallen voor zijn lieve woordjes en hij heeft twee weken lang een luxe leven geleid. Riet denkt dat het echte liefde is. De sportleraar – zelf Afrikaans - vertelt haar dat ze naïef is. Maar Riet luistert niet. Ze is helemaal ‘in love’ en de Afrikaan heeft waarschijnlijk een nieuwe toeriste gestrikt. Maar dat zeggen wij niet tegen Riet. Dat is zielig. Bovendien is ze oud en wijs genoeg. Als mannen naar Thailand mogen om jonge Thaise meisje te versieren met geld, dan mag Riet naar Gambia om Afrikaanse mannen te versieren met geld. Tenminste als ze meerderjarig zijn. Desondanks heb ik er een raar gevoel bij.
Overigens: als ik over een jaar of tien log dat ik naar Gambia ga, dan is dat puur voor de witte stranden. Dat moge duidelijk zijn!
¶ §Rustig aan
Ik hoor niet bij mensen die zich vaak vervelen. Sterker nog: ik verveel me nooit. Op dit moment ben ik druk in de weer met mijn (analoge) spiegelreflexcamera. In september begin ik met een nieuwe cursus fotografie. Ik sport twee keer in de week. Op mijn nachtkastje liggen acht boeken die ik nog wil lezen. Er zijn nog tientallen films die ik wil zien en verschillende musea die vragen om mijn aandacht. Tussen de bedrijven door studeer ik cultuurwetenschappen. Ik zie regelmatig een kroeg van binnen en ga heel graag uit eten. Natuurlijk slokt mijn weblog (ongemerkt) veel tijd op. Mijn huishouden en administratie vergen ook tijd. Bovendien werk ik meer dan veertig uur in de week. Ik wil altijd alles goed doen en houd niet van half werk. Dus vervelen? Nee. Maar soms komt er ook een moment dat je keihard ‘stop’ moet roepen. Omdat je hoofd simpelweg te vol is. En je even genoeg aan je hoofd hebt. Ook als je niets te doen hebt. Dat moment komt heel dichtbij. Stop Maaike. Je kunt niet honderd dingen tegelijkertijd doen! (Dat laatste meen ik nog niet echt. Ik ben aan het oefenen.)
¶ §Niet normaal
‘Zag je dat?’, vraagt K. ‘Ja, niet normaal hé’, zeg ik. We zitten in de auto richting Nieuwegein. Twee jongens met petjes op springen uit een auto. Ze delen klappen uit aan drie soortgenoten met leren jassen op het fietspad. Een fiets vliegt door de lucht. Iemand valt op de grond. Ik krijg een naar gevoel van vechtpartijen. Wat is er mis met praten?
Met mijn middelbare school breng ik een bezoek aan Parijs. Elke avond ploffen we neer op een sfeervol terrasje in Qartier Latin. Ik verbaas me over de hoge prijzen. Zeven gulden voor een glas cola. Nou ja. Opeens klinkt er hysterisch gekrijs van een meisje. Ze wordt aan haar haren over de grond gesleurd door een oudere man. Een jonge man grijpt in. Hij werkt de oudere man tegen de grond. Hardhandig. Geschreeuw en klappen volgen. Overal bloed. Binnen vijf minuten is de politie aanwezig. De twee mannen worden overmeesterd en in een politieauto geduwd. Het meisje wordt opgevangen door een vrouwelijke agent. Einde voorstelling. Voetgangers lopen verder alsof er niets aan de hand is. Straaltekenaars gaan door met het maken van karikaturen. Zwervers verstoppen zich weer in hun dronkemansroes. Gewoon een avond in de Parijse studentenwijk…
Maar de dure cola smaakte mij niet meer. Nooit eerder was ik – een meisje van vijftien uit de provincie – getuige geweest van een vechtpartij. Het heeft lang geduurd voordat ik de Franse hoofdstad en geweld van elkaar kon scheiden. Zelfs de mooiste steden in Europa ontkomen niet aan rake klappen. Bah.
¶ §Lichaamstaal
Zij schuift met haar hand over een rietje. Van boven naar onder en langzaam weer terug. Daarna draait ze met haar vingers rondjes over haar glas. Heel langzaam. Ze maakt haar lippen nat en lacht charmant. Daarna leunt ze wat verder over de tafel, zodat haar borsten groter lijken. De jongen tegenover haar maakt een grapje. En zij lacht te hard. Bovendien doet ze een poging om het wereldrecord 'oogknipperen' te verbeteren. Haar dikke wimpers zijn met te veel mascara aangezet. Het lijken wel zwarte spinnen. De jongen kijkt verveeld naar een ander meisje in het restaurant. Hij volgt de donkere schone met zijn ogen. Zijn tafgelgenote heeft het door en trekt een pruillip. Met een soepele beweging draait ze een haarlok om haar wijsvinger. Dat heeft ze vaker gedaan. De jongen vraagt of ze een nagerecht wil. Zij zegt beteuterd dat ze liever naar huis gaat. Hij werpt een laatste blik op de donkere schone en zucht... Ik neem een hap van mijn chocolademousse. En geniet. Van het schouwspel en van mijn toetje.
¶ §Verbroedering
Het is vijf mei. Een kunstenaarsatelier exposeert in het centrum. Ik loop langs kleurrijke kraampjes met stillevens, portretten en landschappen. Creativiteit van anderen inspireert mij. ‘Ik ga ook weer tekenen’, zeg ik tegen M. Een Marokkaanse kunstenaar leert een blond jongetje schilderen met een paletmes. Met veel geduld laat hij verschillende technieken zien. Het jongentje kijkt geconcentreerd toe. Het puntje van zijn tong hangt uit zijn mond en zijn wangen kleuren vuurrood. Met houterige bewegingen brengt hij grove lijnen aan in oranje en zwart. Hij moet nog lang oefenen om de vloeiende techniek van de kunstenaar onder de knie te krijgen. De kunstenaar neemt het paletmes over. Hij corrigeert uitschieters en toont nog eens hoe het moet. Daarna pakt hij de hand van het jongetje vast. Ze bewerken nu samen het doek. Het geklungel van het jongetje en de vloeiende lijnen van de kunstenaar veranderen in een klein kunstwerk: een herfstachtig berglandschap met een oranje lucht. Ze kijken elkaar trots aan. De omstanders klappen. En ik klap mee. Een mooi moment van verbroedering op bevrijdingsdag.
¶ §4 mei
Een gymnastiekwedstrijd in 1943. Zij beweegt zich soepel over de brug. Mensen kijken bewonderend toe. Hij is direct verliefd. Het is wederzijds. Ze wonen niet in dezelfde stad, maar dat maakt niets uit. Dertig kilometer is niets als er liefde in het spel is. Elk weekend bezoeken ze elkaar. Eerst op een fiets met banden. Later op een fiets zonder banden. En uiteindelijk te voet. Een fiets kun je inleveren, maar echte liefde niet. Ze houden voor altijd van elkaar. Daar komt geen bezetter tussen. En dat klopt. Heel wat jaren later zijn ze nog steeds samen. Het zijn mijn oma en opa aan vaderskant.
De Tweede Wereldoorlog. Een jong gezin is wanhopig. Hun kleine meisje is ziek. Ze heeft hoge koorts. Maar medicijnen zijn er niet. De bezetters helpen niet. De smeekbede van een vader en moeder blijft onbeantwoord. Ze willen haar hun eigen leven geven. Ook dat kan niet. Het kleine meisje vecht en vecht. Voor niets. De dood is sterker. Ze is nog maar twee jaar oud en slachtoffer van een oorlog. Niemand zal haar ooit nog vergeten. De ouders dragen voor altijd een stil verdriet met zich mee: mijn oma en opa aan moederskant.
Liefde en dood. Beide horen bij het leven. Helaas is in tijden van oorlog het evenwicht bruut verstoord. Daarom is het zo belangrijk dat wij de verhalen van onze opa’s en oma’s verder vertellen. Om herhaling te voorkomen.
¶ §Ga weg Gouden Gids!
Beste heren en dames van de
Gouden Gids. Dank je wel dat ik vandaag een gloednieuw exemplaar heb ontvangen. Dat is boffen. En wat is hij weer dik zeg! Zelfs te dik voor mijn brievenbus. Dus hebben jullie hem voor mijn deur gelegd. Best aardig. Hoef ik die tien kilo niet zelf naar boven te sjouwen. Alleen wel jammer dat het vandaag heeft geregend. Nu is hij twee keer zo dik. En ik houd niet zo van bijzettafeltjes. Als ik heel eerlijk ben zit me nog iets dwars. Alles wat je nodig hebt staat erin. Tenminste dat zeggen jullie. Dit klopt niet. Ik heb direct doorgebladerd naar de C van Cupido, maar het eigenwijze mannetje kan ik nergens vinden. ‘Cursus Gehoorzame Huishond’ wel. Alsof ik daarop zit te wachten. En nog iets anders. Misschien kunnen jullie vooraf een briefje sturen of ik hem wel wil ontvangen? Ik heb namelijk internet. Net zoals de meeste mensen tegenwoordig. Dat is heel handig internet. Je kunt alles opzoeken wat je maar wilt weten of nodig hebt. Succes verzekerd. De zoekterm Cupido geeft bijvoorbeeld 1.560.000 resultaten. Toevallig. De volgende keer mogen jullie mijn huis overslaan. Dat scheelt weer een regenwoud of tien. Want hij ligt nu al in mijn oud-papierbak. Tot slot: ik heb er ook geen papieren jurk van gemaakt. Kom op zeg. Wat denken jullie wel? Ik ben Katja niet.
¶ §De weg naar 5 mei
Zomaar een tentoonstelling over de oorlog in een galerie. Er hangen foto’s van bekende oorlogsfotografen. Kinderen uit Angola en Afghanistan staren in de lens. Grote ogen die niet meer onschuldig zijn. Jongens en meisjes met bolle buikjes van de honger en gerafelde kleren aan. Op andere foto’s staan kindsoldaten. Met wapens in hun handen die ze bijna niet kunnen dragen. Hun gezichtjes zijn uitdrukkingsloos. Ze raken mij. Naast foto’s van kinderen hangen er ook oorlogsfoto’s van mijn eigen stad. 1945 komt plotseling heel dichtbij. Puin, brokstukken en ruïnes. Van het postkantoor is niets meer over. De kerktoren is volledig beschadigd. Veel winkels hebben geen gevels meer. De waterpomp staat als enige trots overeind op het stadsplein. De foto’s tonen slechts de materiële schade. Het persoonlijk leed was ongetwijfeld veel groter. Kinderen uit je eigen stad die verdwaasd in de lens staren. Net zoals de kinderen in Angola of Afghanistan. Het zijn de opa’s en oma’s van nu. Met die gedachte verlaat ik de galerie. Ik kijk op de kerktoren die weer volledig is hersteld. Het is vier uur. Ik koop een ijsje met citroensmaak. De zon verwarmt mijn gezicht. Het leven van alledag neemt mij in bezit. Het was zomaar een tentoonstelling over de oorlog. Maar wel één die ik niet snel zal vergeten.