¶ §Aan de haak
Laatst kocht ik een vrij kostbare sjaal bij de Bijenkorf. ‘Daar ga je toch geen geld aan uitgeven’, zei mams. ‘Zo'n sjaal kun jij makkelijk zelf maken.’ Daar had mams gelijk in. Ik kan breien, haken en borduren. Maar dat is helemaal niet cool of sexy. Een moderne vrouw heeft twee linkerhanden. Handwerken is voor oma’s. Bovendien heb ik helemaal geen tijd voor creatieve uitspattingen. Toch moest en zou ik die gouden sjaal hebben in het roze. Voor weinig. En de uitverkoop is pas weer in juli. Dus óp naar de wolwinkel. ‘Ik heb wel een instructieboekje hoor’, zegt de wolwinkelmevrouw. ‘Daar staan alle steken in.’ ‘Heb ik niet nodig', zeg ik. 'Ik kan prima haken.’ ‘O, roept de wolwinkelmevrouw.’ ‘Dat zie je niet vaak meer. Jonge vrouwen die kunnen handwerken. Behalve mijn dochter.’ Ze strijkt met haar vingers door haar omapermanentje en zucht. ‘Vroeger hoorde het bij je opvoeding. Tegenwoordig zitten jullie alleen maar voor de tv.’ ‘Ach ja’, zeg ik terwijl ik een paar bollen katoen afreken. ‘Elke tijd heeft zijn mooie en slechte dingen. Maar vanaf morgen zit ik voor de buis met een haaknaald.' De wolwinkelmevrouw kijkt me overdreven blij aan. 'Je maakt mijn dag weer goed', zegt ze vrolijk. Ik vertel haar niet dat mijn tv dan tegelijkertijd op
Desperate Housewives staat.
¶ §Zomaar een avond
Ik leun tegen de bar om een drankje te bestellen. Twee heren naast mij praten over Ayaan Hirsi Ali. ‘Zie je dat meisje op de tafel dansen? Zij lijkt op Hirsi Ali. Ze is alleen kleiner en dunner.’ ‘Ik weet zeker dat ze het niet is.’ ‘Hoezo niet?’ ‘Hirsi Ali zou nooit op de tafel dansen. Zij zou zich eronder verstoppen.’ Ze lachen luid om hun eigen grapje. Een hand met trouwring pakt mijn schouder beet. ‘Vind jij dat zij op Hirsi Ali lijkt?’ ‘Een beetje, maar ze is het niet hoor.’ ‘Nee, dat dacht ik ook al. Trouwens mijn oma heeft ook altijd zo’n doek om.’ ‘Het is geen doek, maar een poncho. Dat is mode.’ ‘Ik wist niet dat ik zo’n hippe oma had. Misschien wil ze nog een doekje punniken voor jou.’ ‘Ja, misschien.’ ‘Weet je’, vriendin E. onderbreekt het gesprek. ‘Die jongen achter de bar werkt hier al jaren. Zou hij nog een andere baan hebben?’ ‘Geen idee.’ ‘En zou hij ook zoveel onzingesprekken aanhoren als wij?’ ‘Vast niet. Dan had hij nu ergens anders gewerkt.’ De trouwring onderbreekt lachend ons gesprek. ‘Misschien wil je morgen even mee naar mijn oma? Kunnen we gelijk vragen of ze een poncho dinges kan maken.’ ‘Ik denk niet dat je vrouw dat leuk vind.’ Zijn lach verdwijnt van zijn gezicht…

¶ §Leeftijdverschil
Het is altijd druk in de supermarkt op vrijdagavond. In de rij voor de kassa luister ik twee tienermeisjes af. Ze bestuderen de cover van de
Hitkrant.
Tienermeisje één: ‘Gétver, hij is écht lelijk.’
Tienermeisje twee: ‘Ja, wat heeft hij een oude kop gekregen.’
Tienermeisje één: ‘Hij is vreselijk oud.’
Tienermeisje twee: ‘Ja, maar jij vindt hem leuk.’
Tienermeisje één: ‘Nee man. Hij is stokoud. Het had mijn vader kunnen zijn.’
Tienermeisje twee: ‘Ik koop het blad niet hoor. Als die oude viezerik erin staat.’
Tienermeisje één: ‘Groot gelijk. Ik neem de
Break Out!. Daar staan geen opa’s in.’
De meisjes praten over Chad Michael Murray. Hij is acteur in de tv-series
Dawson’s Creek en de
Gilmore Girls. Chad is niet ouder dan 24. Hij komt net kijken. Ik ben benieuwd hoe oud ze mij vinden. In hun ogen ben je een oma als je dertig bent. Dat vond ik ook toen ik veertien was. Maar nu vind ik iemand van veertig niet eens oud. En iemand van veertig vindt mij piepjong. De caissière is ongeveer zestien en in mijn ogen nog een kind. Terwijl zij zichzelf al heel volwassen zal vinden. Op elke leeftijd kijk je anders tegen andere leeftijden aan.
‘Mevrouw heeft u een bonuskaart?’ De caissière haalt me uit mijn overpeinzingen. De tienermeisjes staan achter mij in de rij en kijken me nieuwsgierig aan. Ik wil vragen of er iets is, maar houd me in. Ze zijn vast verbaasd dat ik nog boodschappen kan doen zonder rollator.
¶ §Allemaal aan de Wopper
Ik houd niet van fastfood, maar mijn collega’s willen per se een Wopper. ‘Wij gaan voor de Wopper. Je hebt geen keus.’ Daarom nemen we plaats in de Burger King. Aan het tafeltje naast ons zitten een vader en zoon ook te smullen van een Wopper. Ondertussen kijken ze naar een tv die aan het plafond is geschroefd. Het jongetje beweegt zijn hoofd op het ritme van de harde housemuziek. Hij knoeit Wopper-saus op zijn T-shirt. ‘Let toch eens op!’, zegt de vader kwaad. Hij wrijft de vlekken met het papieren servetje nog verder in het shirtje van zijn zoon. Een ouder stel aan een ander tafeltje eet samen één Wopper. Ze snijden hem doormidden met een plastic mesje en kibbelen over het grootste stuk. De man wint. De vrouw kijkt chagrijnig. Het stel naast ons eet ook een Wopper. Sterker nog: hij bestelt er twee. Hun zoontje is eerder klaar met eten dan zijn ouders en springt ongeduldig op de neplederen bank. Waardoor zijn vader boos wordt. ‘Ik kan nooit eens rustig eten’, zegt hij. ‘We gaan naar huis.’ De moeder zegt niets. Maar haar ogen spugen vuur. Wat een ellende om een Wopper. Volgens mij moeten al deze mensen de volgende keer naar Mac Donalds. Voor een happy meal.
¶ §Onderbuurman
Met een zwaai gooi ik mijn voordeur dicht. Ik ben aan de late kant en race door het trappenhuis. Kaboem. De collega van mijn onderbuurman botst lomp tegen me aan op de trap. Daardoor stoot ik hard mijn elleboog tegen de muur. Hij zegt geen sorry. Normaal zou ik hem uitmaken voor lomperik. Maar omdat het de collega van mijn onderbuurman is, zeg ik niets. Mijn onderbuurman is een psychopaat en ik vertrouw hem niet. Hij klimt altijd op het dak en zet de ladder precies voor mijn deur. Daardoor kan ik amper mijn huis uitkomen. Op een dag heb ik die ladder een keer opgepakt en aan de andere kant tegen de muur gezet. Toen moest de onderbuurman naar beneden springen. En dat vond hij niet zo leuk. Maar ik wist zogenaamd niet dat er iemand op het dak zat. Eigen schuld. Sindsdien kijkt hij zeer eng en geniepig naar me met zijn kleine varkensoogjes. Ik vraag me ook nog steeds af wat hij op het dak doet. Oefent hij voor pakjespiet? Is hij even op de vlucht voor zijn criminele vriendjes? Of begluurt hij zijn bovenbuurmeisje met een geavanceerd camerasysteem… Ik wil er niet aan denken. Bah.
¶ §Roze gevalletje
Midden in de nacht ontdoe ik mij van het roze nachthemdje. ‘Weg jij’, sis ik. ‘Het is winter en veel te koud voor mooie dingen. Buiten sneeuwt het verdorie. Je bent Joan Collins niet.’ Joan hulde zich in Dynastie altijd in zeer luxueuze nachtkledij met kanten accenten. Ze at haar ontbijtje in een witte, doorschijnende peignoir met geborduurde initialen. Maar bij Joan was het nooit -3. Bovendien had Joan altijd spannende mannen tussen haar satijnen beddengoed. Dus aan warmte geen gebrek.
Ik woon in Nederland. Het is februari en rotweer. En toch schuilt er een Joan in mij (zonder facelifts). Daarom kies ik ook in de winter voor satijn. Gewoon omdat ik het heerlijk vind om kanten of zijden gevalletjes te dragen. Dat is zo vrouwelijk. Het is verwennerij voor mezelf. Dan weet ik heel even hoe het is om Joan te zijn. Ik verander in een filmster tussen katoenen lakens. Heerlijk.
Maar soms - heel soms – lijk ik ook een beetje op Irene Moors of Linda de Mol. Oer-Hollands en degelijk. Dan ruil ik mijn sexy niemendalletje om drie uur ’s nachts in voor een oude trainingsbroek en een T-shirt met lange mouwen. Want dat is zo behaaglijk warm. Als Joan een Nederlands meisje was en geen filmster, dan zou zij waarschijnlijk precies hetzelfde doen.
¶ §Voor het goede doel
De jongens en meisje van het goede doel stellen zich altijd op strategische plaatsen op in de stad. Je moet er wel langs. Ditmaal hebben ze rode jassen aan. Natuurlijk spreken ze mij aan. Ik zie eruit als iemand die aan goede doelen geeft. En dat klopt. Maar soms zeg ik ook nee. Omdat je niet overal geld aan kunt geven.
De rode jas: ‘Mevrouw, kent u Stop Aids Now?’
Ik: ‘Ja.’
De rode jas: ‘Weet u wat wij doen?’
Ik: ‘Lijkt me simpel. Het verspreiden van aids voorkomen.’
De rode jas: ‘Klopt. En op welke gebieden richten wij ons?’
Ik: ‘Azië en Afrika.’
De rode jas: ‘Ja en de focus ligt met name op kinderen.’
Ik: ‘Dat is mooi.’
De rode jas: ‘Die kunnen er niets aan doen dat ze deze ziekte hebben.’
Dan gaat het mis. Voordat ik het weet zet ik weer mijn handtekening onder een machtigingsformulier. Ik kan gewoon niet tegen leed van kinderen. Zeker niet als ze zinloos ziek zijn. Veel mensen halen in Afrika hun 35e levensjaar niet door aids. Dat is erg. En dus vind ik dat Stop Aids Now wel wat ondersteuning kan gebruiken. Na Amnesty International, Greenpease, het Wereld Natuur Fonds en oneMen...
¶ §Help, internet is weg!
Zaterdagochtend. Ik start mijn computer op. Plaats een logje. Installeer de nieuwste versie van MSN. En stuur een mailtje naar M. Daarna ga ik naar de supermarkt voordat alle eenpersoonsverpakkingen op zijn. Een uur later wil ik een bezoek brengen aan mijn favoriete websites. Dat lukt niet. Er is wel een internetverbinding aanwezig, maar mijn laptop vindt geen websites. Ik doe de computer uit en weer aan. Het helpt niets. Nog steeds verschijnen er geen websites op mijn scherm. Shit. De rest van de dag breng ik internetloos door. Ik blijf iets langer in de stad dan normaal en koop iets leuks voor mezelf. Omdat ik zielig ben.
Zondagochtend. Ik stap uit bed. Doe mijn lila ochtendjas aan en ga achter mijn laptop zitten. Misschien werkt het nu allemaal zoals het hoort. Wellicht had mijn provider gewoon even problemen. Maar nee. Het euvel is niet automatisch verholpen. Ik ga over op plan B. Mijn vader. Hij wil vanaf zijn ziekbed wel even naar mijn computertje kijken. ‘Ik kan echt helemaal niets vinden. Dit probleem heb ik nog nooit eerder gezien. Je moet thuis even je modem opnieuw installeren’, zegt paps. ‘Oké,’ zeg ik. Installeren daar ben ik een kei in. Het per ongeluk laten verdwijnen van installaties ook.
Zondagavond. Ik stop de installatie-cd in mijn laptop. ‘Doe het alsjeblieft weer. Please, please, please’, zeg ik. De laptop geeft geen antwoord, maar maakt een pruttelend geluid. Daarna vraagt hij om mijn wachtwoorden. Ik log hoopvol – zeer hoopvol – in. En tot mijn grote verrassing ben ik weer online. Yes.
De afgelopen dertig uur heb ik één ding gemerkt. Ik kan niet meer zonder internet...
¶ §Jagersinstinct
Shoot, ik had andere laarzen aan moeten doen. Niet deze met de hoge hakken. Die zijn niet ideaal voor nachtelijke avonturen. Wat is de Hoge Veluwe donker ‘s nachts. Mijn ogen wennen niet aan de duisternis. Daarom zet ik mijn zaklamp aan. Het risico dat iemand mij ziet is dan wél groter. Zijn er eigenlijk boswachters hier? Of waakt de politie over dit gebied? Aarzelend loop ik verder. Weer blijft mijn hak steken achter een steen. Ik val languit op de grond. Als ik maar geen mosvlekken krijg op mijn spijkerbroek. Dan kan ik hem weggooien. In de verte klinkt gegrom. Met het jachtgeweer in de aanslag loop ik in de richting van het geluid. Grrrrrrrrrrrrrrrr hoor ik heel dichtbij. Ik doe het bijna in mijn broek. Waar ben ik eigenlijk mee bezig? Op een everzwijn schieten, is een slecht idee. Dat is een gevaarlijk beest. Maar als onze kroonprins het kan, dan kan ik het ook. Hij kiest vast voor konijnen. Alleen die zijn veel te snel. En eigenlijk is het zielig voor zo’n klein beestje. Ik eet niet eens konijnenvlees. Aarzelend loop ik verder. Mijn geweten speelt op. Schieten op dieren is slecht, slecht, slecht… Ik kan dit niet. Nooit. Conclusie: zelfs in mijn dromen heb ik geen jagersinstinct. En daar ben ik trots op.
¶ §Door dik en dun
Het afscheidsetentje van collega’s R. en V. staat in het teken van dik en dun. ‘Het is bewezen zegt M. dat mensen zonder relatie veel drukker zijn. Het zijn jagers. Ze hebben geen rust in hun leven. Daardoor zijn ze slanker dan mensen met een relatie.’ Opeens voel ik de aandrang om heftig heen en weer te wiebelen op mijn stoel. Mijn jagersinstinct komt naar boven. Ik moet een konijn schieten. Maar in plaats daarvan zit ik ‘opgesloten’ in een restaurant. Wat heb ik het zwaar. Mijn collega’s lachen. Zij hebben allemaal al jaren dezelfde partner. ‘Zo letterlijk moet je het niet nemen hoor’, zeggen ze. ‘ Een vaste relatie zorgt wél voor stabiliteit en rust.’ ‘Maar een relatie die slecht is, geeft juist extra onrust’, zeg ik. ‘Dus dat klopt ook niet helemaal.’ ‘Vrouwen maken zich geen zorgen meer over een dikke kont als ze bezet zijn’, roept H. ‘ Daarom groeien ze in de breedte zodra ze een vriend hebben. Ze hoeven niet meer aantrekkelijk te zijn.’ Ik: ‘Tja, maar vrouwen die net gedumpt zijn, compenseren het gemis vaak met kilo’s chocola’. ‘Jarenlang was ik ontevreden met mijn gewicht’, roept R. ‘Terwijl ik maatje 36 had. Nu ik eenmaal rust heb met mezelf vind ik het niet erg dat ik wat zwaarder weeg.’ Volgens mij heeft zij de kern te pakken. Als je tevreden bent met jezelf, dan maken een paar extra kilootjes écht niet uit. Of je nu happy single bent of gelukkig getrouwd.
¶ §Toen en nu
In 1940 was mijn oma dertig. Net zo oud als ik nu ben. Op dat moment had ze al vier kinderen. In de oorlog kwamen er twee bij. En één dochter stierf op tweejarige leeftijd aan een longontsteking. Oma zat niet in het verzet. De verantwoordelijkheid voor haar gezin was te groot. Maar ze pestte wel de NSB-familie bij haar in de straat. Ze klom ’s avonds tijdens spertijd over de tuinmuur. En dat was streng verboden. Toch zorgde ze ervoor dat ze gezien werd. Het was haar vorm van verzet. Als zij een kopje surrogaatkoffie wilde drinken bij de buren, dan kon niemand haar stoppen. Ook de NSB niet.
Vanavond in de supermarkt. Ik irriteer me omdat alle eenpersoonsverpakkingen op zijn. Dus koop ik met tegenzin een gezinszak sla. Deze verdwijnt morgen (nog goed gevuld) in mijn vuilnisemmer, omdat ik dan uit eten ga. En langer kan ik het restant niet bewaren. Waarom hebben die stomme supermarkten nooit genoeg op voorraad? Waarom zijn ze niet lief voor mij?
Mijn oma en ik allebei dertig. Ik wind me op over een zak sla en zij moet met vier kinderen een oorlog overleven. Het is bijna een bizar verschil.
¶ §Date dilemma
Ping. Pong. Ik word wakker door mijn mobiele telefoon. Er komt een sms’je binnen. Op het display van mijn mobiel zie ik dat het pas kwart over zeven is. ‘Zo die is er vroeg bij’, mompel ik slaapdronken. Het is een valentijnsberichtje. ‘Hoi, ik zat gisteren de hele dag in vergadering. Maar wil je een keertje wat met me gaan eten?’ Ik ken de afzender van het berichtje goed. Het is een leuke vent. En daarmee houdt het op. Hij is mijn type niet. Geen aantrekkingskracht. Moet ik nu uit beleefdheid een keer met hem gaan eten? Gewoon om aardig te zijn? Of meteen een berichtje sturen om hem te bedanken voor de eer? Het etentje lijkt me niet zo’n goed idee. Dan krijg je een geforceerde bedoeling. Daarnaast wil ik geen valse hoop kweken. Maar direct een sms terugsturen met de melding ‘nee, bedankt’ is cru. En ‘ik blijf liever vrienden’ is cliché. Wat een dilemma’s op de vroege ochtend. Uiteindelijk besluit ik om te wachten met de afwijzing. Ik wil nog even verder slapen. Geeuw. Een paar uur later toets ik het onvermijdelijke in: ‘Bedankt voor je bericht, maar ik laat deze uitnodiging aan mij voorbij gaan. Groetjes M.’ Kort en bondig. Zonder dubbele betekenis. De rest van de dag blijft mijn mobiel opvallend stil.
¶ §Sexy zomervoeten op Valentijnsdag
Onder de douche bekijk ik mijn witte voeten. Ze bevallen me niet. Het zijn wintervoeten. Duf en droog. En ik heb zin in sexy zomervoeten. Daar kun je pas lol mee beleven. Door de branding lopen met een leuke man. Een watergevecht aangaan. Van de ene handdoek op de andere springen, omdat het zand te heet is om op te lopen. Bij sexy zomervoeten horen ook elegante slippertjes die zo leuk klepperen op straat. Daarmee kun je uren slenteren over lange boulevards. Zonder dat je zere voeten krijgt. Zomervoeten staan voor plezier, lange zomeravonden, strandwandelingen en latin lovers. En toevallig heb ik daar vandaag heel veel zin in. Zou dat door Valentijnsdag komen? Dus onderneem ik actie. Ik neem een voetenbadje, scrub mijn hielen en wrijf mijn voetjes in met verfrissende pepermuntcrème. Vervolgens voorzie ik mijn teennagels van een glanzend lakje. Ik ben tevreden met het resultaat. Met uitzondering van het bruine kleurtje ben ik de trotse bezitter van twee prachtige zomervoeten. En dat ik ze daarna direct weer verstop in dikke badstof sokken, dat maakt niet uit. Het gaat om het idee. Mijn voeten zijn er klaar voor. Nu het weer nog. Regen verdwijn!
¶ §Zie je wel
Stom dat je andermans relaties altijd beter doorziet dan die van jezelf. Ik heb het nooit kunnen rijmen dat hij en zij al 18 jaar samen zijn. Hij parttime muzikant en spring in het veld. Zij degelijk en secretaresse bij een bank. Ik sta gebogen over een stapel soepblikken in een overvolle supermarkt. Iemand roept me en ik kijk op.
Hij: ‘Dag Maaike.’
Ik: ‘Hé hallo. Dat is een tijd geleden. Alles goed?’
Hij: ‘Gezien de omstandigheden wel ja.’
Ik: ‘Hoezo?’
Hij: ‘Nou, we zijn uit elkaar.’
Ik: ‘Nee dat meen je niet. Waarom?’
Hij: ‘Ik zag het niet meer zitten. Wilde meer vrijheid.’
Ik: ‘Sinds wanneer?’
Hij: ‘Half januari. Woon nu bij mijn ouders.’
Ik: ‘Wat rot voor je.’
Hij: ‘Voor haar is het erger hoor. Zij zag het niet aankomen.’
Ik: ‘Ze zal wel boos zijn.’
Hij: ‘Ja, zeker. Maar uiteindelijk is het ook het beste voor haar.’
Ik: ‘Waarschijnlijk wel. Het blijft lullig.’
Hij: ‘Dat weet ik. Maar ik ga verder nu. Ik ga stappen vanavond.’
Ik: ‘Oké, veel plezier.’
En weg is hij. Ik ga over tot de orde van de dag. De weekendboodschappen. Ik vind het jammer voor ze, dat ze niet meer samen zijn. Maar stiekem denk ik ‘zie je wel’. Mijn gevoel was juist.
¶ §Ja, ik wil
Achteloos open ik haar mailtje. In de onderwerpregel staat ‘het hoge woord is eruit’. Vreemd ze hadden toch vorige maand al besloten om samen te gaan wonen? In de e-mail staat geen tekst. Alleen een foto van een hand. Háár hand met een enorme ring. Hé? Gaan ze trouwen? Ik sluit de foto. Dan valt mijn oog op de naam in de mail. Háár eigen naam plus een dubbele naam. Ik grijp mijn mobiel en bel haar nummer. Ze neemt op. ‘Je krijgt een driedubbele achternaam’, gil ik. ‘Je gaat trouwen. Gefelicitéérd. Zij kan alleen maar heel hard lachen. ‘Ik kan het zelf ook niet geloven hoor. Het is allemaal zó snel gegaan’, vertelt ze.
En snel ging het. Ongeveer een jaartje geleden ging haar relatie uit. Na ongeveer 9 jaar. Niet veel later ontdekte ze in een collega haar droomprins. Haar leven werd weer een glimlach. Met een komend huwelijk als bekroning. ‘Hoe, wanneer, hoe laat?’, vraag ik haar. ‘Gisterenavond. Hij kon het niet meer voor zich houden. Zijn plan was om me op Valentijnsdag te vragen.’ ‘Wat romantisch! Het is echt het leukste nieuws sinds tijden’, zucht ik. Ondertussen knijp ik in mijn arm of ik niet droom…
Vorig jaar vierde ze haar dertigste verjaardag niet, omdat het té pijnlijk was. Nu is ze twee dagen voor haar verjaardag ten huwelijk gevraagd. Het leven kan raar - maar mooi - lopen.
¶ §Wie ben ik?
Zojuist heb ik een persoonlijkheidstest gedaan. Het resultaat liegt er niet om. Ik ben een perfectionist. In mijn ogen het minst positieve type dat er is. Waarom ben ik geen romanticus, een levensgenieter of een loyale scepticus? De perfectionist is kritisch voor zichzelf en anderen, voelt zich ethisch superieur, wil geen fouten maken en ergert zich aan fouten van anderen. De perfectionist is netjes en houdt van orde. Het schoppen gaat nog even verder. Emotionele uiting is moeilijk voor de perfectionist die vaak een ernstige en beheerste houding heeft en niet snel tevreden is. En dan de uitsmijter. Perfectionisten zijn vaak zo perfectionistisch dat ze niet afmaken waaraan ze beginnen.
Bingo. Dit klopt. Ik maak namelijk nóóit iets af. Dat probleem heb ik altijd al gehad. Ik zat een paar weken op gym, hield het bij een proefles ballet en muziekles was ik na twee jaar meer dan zat. Het schrijven van dagboeken houd ik een blauwe maandag vol, ik werk gemiddeld twee jaar bij dezelfde werkgever en over vriendjes heb ik het maar even niet. Het is voor mij nog steeds een raadsel hoe ik ooit mijn studie in vier jaar heb afgerond. Zonder vertraging. Een vervolgstudie zat er niet in. Ik stopte na één module cultuurwetenschappen. In mijn hoofd heb ik twee boeken geschreven, maar op mijn computer staan slechts een paar hoofdstukken. Ik koop vaak de ingrediënten voor een heerlijke ovenschotel die ik vervolgens nooit maak. In mijn ijskast blijven de verlepte groenten over.
Maar is dit alles te wijten aan het feit dat ik een perfectionist ben? Ik vraag het me af. Zelf zeg ik liever dat ik heel veel dingen leuk vind en gewoon niet kan kiezen. En je kunt in ieder geval beter een perfectionist zijn die heel veel leuk vindt, dan een romanticus of loyale scepticus die zich regelmatig vervelen. Toch?
¶ §Geschenk uit de hemel
Het is waar. Ik ben nogal chaotisch ingesteld. Maar in het dagelijkse leven weet ik dat prima te omzeilen. Zo heb ik bijvoorbeeld vaste plaatsen in huis voor mijn mobiel, sleutels, bril en portemonnee. Alleen de laatste tijd spelen mijn bezittingen verstoppertje met mij. In ieder geval zo lijkt het. Zojuist wilde ik een dvd gaan kijken. En zonder bril kan ik de ondertitels niet goed lezen. Dus loop ik naar mijn vaste brilplek: de boekenkast. Geen bril. Ik kijk onder de kussens van mijn bank. Geen bril. Op het aanrecht. Niets. In mijn toilettas (dingen die ik kwijt ben, zitten vaak op onverklaarbare wijze in mijn toilettas). Ook daar geen bril. De keukenla. Nee. Mijn nachtkastje. Nee. Nog een keer de boekenkast. Nee. De fruitschaal. Nee. Salontafel. Nee. Handtas. Nee. Het rotding ligt echt nergens! Ik buk om onder de bank te kijken. Helemaal niets. Ik sta weer op. En dan valt mijn bril plots voor mijn voeten...
Was dit een geschenk uit de hemel? Of viel hij gewoon van mijn neus?
¶ §Fikkie
Ik zie een heel lief hondje lopen. Hij is klein en wit en heeft guitige oortjes. ‘Kijk eens wat een leuk hondje’, zeg ik tegen R. We hebben een afspraak bij een klant in Rotterdam, maar zijn te vroeg. Daarom wandelen we wat langs de Maasboulevard. ‘Ach ja wat een schatje’, roept R. Het hondje rent vrolijk achter een colablikje aan dat door de wind wordt voortgestuwd. Daarna sprint hij naar de rivier. Hij kijkt met belangstelling naar een boot die voorbij vaart. Zijn baasje roept hem, maar hij luistert niet. Hij speelt vrolijk verder. En denkt bekijk het maar. Opeens rent het hondje enthousiast naar ons toe. Hij keft vrolijk en zijn staartje kwispelt onophoudelijk. Ik aai zijn witte vacht. ‘Ach, wat een lief beestje. Ik neem hem mee hoor’, roep ik naar zijn baasje. Ze lacht me vriendelijk toe. Het hondje is onze aandacht niet snel moe en achtervolgt ons trouw in de richting van de Oude Haven. Dat vindt zijn baasje niet leuk, want zij moet de andere kant op. Maar ik vind de aandacht van het witte viervoetertje wel aangenaam. Totdat het ‘leuke hondje’ met beide pootjes tegen mijn panty aanspringt. Hierdoor ontstaat een lelijke haal die op elk moment in een ladder kan veranderen. Mijn representatieve outfit is getransformeerd in een sjofel geheel. ‘Klein mormel’, roep ik uit.
¶ §Held op blote voeten
Nilgün Yerli zong enkele regels uit het lied ‘Het dorp’ van Wim Sonneveld. Dat klonk heel mooi. Ze bracht me aan het lachen met haar grappen over integratie. Eindelijk eens iemand die praat over dit onderwerp zonder té beladen te zijn. Hoewel ze tussen de regels door wel scherpzinnige opmerkingen maakte. Haar lied over verschillende godsdiensten was een voltreffer. Nilgün Yerli wist mij met haar voorstelling ‘held op blote voeten’ van begin tot eind te boeien. En dat kwam niet door haar grappen en grollen. Maar door de rode draad van de avond.
Een zoektocht van een dochter naar de liefde van haar vader, haar identiteit en erkentenis. Het leven is een sprookje waarin jezelf moet geloven. Alleen dan zul je er maximaal geluk uithalen en je ware ik ontdekken. Zo niet dan beland je op een
dwaalspoor. Voor Nilgün is het dwaalspoor al een gepasseerd station. Voor mij nog niet. Ik twijfel te veel. Maar mensen zoals zij brengen mij weer wat verder op de juiste weg. Bedankt Nilgün!
¶ §Dwaalspoor
De geluiden van de nacht zijn mij vertrouwd geworden. Mijn buurmeisje die zeer laat gaat slapen en met haar hoge hakken op het laminaat stampt. Het mechanische afzuigsysteem dat om drie uur begint te zoemen. De onderbuurman die om vijf uur Frans Bauer draait. Auto’s die op een laat uur te hard wegscheuren. Wasmachines die draaien in de voordeeluren. Ik ben thuis in de nacht. Dat is te danken aan mijn dwalende gedachten… Ze gaan van links en rechts. Naar mijn familie en mijn werk. Ze bezoeken vrienden en dé vriend die ik niet heb. En mijn gedachten vragen mij continu de weg. Zodat ik niet kan slapen. Maar ik ben geen routeplanner. Keer op keer raak ik verstrikt in een kruispunt van antwoorden. Terwijl ik heel hard door wil rijden. Een goede weg inslaan zonder daarover na te denken. Dat kan alleen als ik stop met piekeren. Daarom lieve gedachten heb ik nu een vraagje. Wanneer eindigt jullie dwaalspoor bij rust in mijn hoofd?
¶ §Het feest kan beginnen?
Vanmorgen reed ik nietsvermoedend naar mijn werk. Ik zag Zeeuws meisje de weg oversteken. En Superman hand in hand lopen met een cowboy. Op de rotonde fietste Pippi Langkous. Dit was vreemd...
Officieel begint carnaval pas morgen. En normaal zijn mijn stadsgenoten niet te vinden voor verkleedpartijtjes. Ik woon nét boven de grote rivieren. Dus het is voor mij een groot raadsel. Waar komen al die verklede mensen vandaan? Verplaatst de optocht zich langzaam naar het noorden van het land? Zijn alle Brabanders vanochtend in polonaise bij ons de grens over gegaan? Dat zou ik stiekem best leuk vinden. Carnaval is cool. Maar misschien heb ik makkelijk praten. Ik heb Brabants bloed. En dus moet ik carnaval wel leuk vinden. Dat ben ik aan Prins Carnaval verplicht. Dus bij deze: alaaf!!!
¶ §Je veux de l’amour
Zeven uur ’s avonds. Borreltijd in Barcelona. Wij hebben een plaatsje veroverd op het terras van het trendy restaurantje Rita Blue. De cocktailkaart ligt voor ons. De felgekleurde drankjes zien er aanlokkelijk uit. Toch kiezen we op dit uur nog voor een ‘vino rosado’. We kletsen wat over Gaudi en tapas. Totdat ons gebrek onderbroken wordt door een Fransman. Het is een prachtexemplaar. Lang, blonde haren, blauwe ogen, een nonchalant overhemd en goede schoenen. De Fransman vraagt netjes of we wat willen drinken met hem en zijn vrienden. Hij spreekt Engels met een schattig én sexy Frans accentje. De vrienden zwaaien. En wij zijn niet gek. Natuurlijk nemen we een borrel aan van deze Franse heren. Ze zijn niet alleen knap, maar ook interessant. Die combinatie komen wij maar zelden tegen.
Tien uur ’s avonds. De heren gaan eten en we spreken af voor later op de avond. Wij vallen aan op de cocktails. We realiseren ons dat we niet eens weten hoe ze heten. Daarom noemen we de blonde René. Omdat hij net zo praat als René uit de tv-serie ‘Allo! Allo!’ Na een paar felgekleurde drankjes slaat de vermoeidheid toe. Aan de andere kant zijn we juist erg melig. We hebben helemaal geen zin meer in het Franse gezelschap. Morgen vliegen we naar huis en slapen is aantrekkelijk. Daarom verlaten we Plaça Sant Agusti. Een half uur voor de terugkeer van René en zijn vrienden.
We lopen door nachtelijk Barcelona. En lachen keihard om onze imitatie van René. ‘O René, press your body to my body…’ De mensen op de Ramblas kijken ons vreemd aan. Daardoor moeten wij nog harder lachen. In de hotelkamer praten we nog steeds met een aangedikt Frans accent. De volgende dag word ik wakker met een enorme kater. En niet van de alcohol. We hebben René en zijn vrienden gedumpt. Ik heb een prachtexemplaar door mijn vingers laten glippen. Shit. Stomme cocktails.
Ik heb behoefte aan liefde. René woont nabij Les Invalides in Parijs. En ik moet nodig een weekendje weg. Voor de nodige ontspanning. Helaas heb ik geen adres. Maar als het lot mijn gunstig gezind is, dan kom ik hem vast weer tegen… Je moet blijven dromen. Toch?
¶ §Schuldgevoel
Drie reebruine chocoladekoekjes kijken me verleidelijk aan. ‘Neem mij. Proef mij. Verslind mij.’ Maar ik doe net alsof ik het niet zie. Ik trek een sprintje naar de keuken, zet thee en prop een rijstwafel in mijn mond. ‘Zo dat is ook lekker’, zeg ik hardop. ‘Dat vind je helemaal niet lekker’, roepen de chocoladekoekjes. ‘Je houdt jezelf voor de gek. Waarom eet je een oude krant als je ons kunt krijgen? Jij bent raar.’ Maar ik houd voet bij stuk. ‘Ah joh één hapje’, roepen de koekjes vijandig. ‘Alleen om te weten wat je mist. Dat kan echt geen kwaad. En anders weten we je te vinden.’
Dat is niet eerlijk. Ze bedreigen me. Het is drie tegen één. Dus nu moet ik wel. Ik doop een koekje in mijn thee. En nog één. En nog één. De chocolade omhelst mijn tong. Ik geniet. Ik geniet. Ik geniet. Totdat het vreetmonstertje me bij mijn nekvel grijpt. Het vreetmonstertje verpest altijd alles. ‘Stom kind. Chocolade is slecht voor je. Daar word je dik van. Zo val je nooit twee kilo af. Jij klein chocoladesletje. Gedraag je eens een keer.’ Ik heb geen verweer tegen het vreetmonstertje. Zoals altijd. Verdorie. Waarom voel ik me schuldig na het eten van een paar stomme chocoladekoekjes? Waarom laat het vreetmonstertje mij nooit met rust?
¶ §Gegijzeld?
Mijn mobiel gaat. Ik neem hem op en hoor een angstige stem.
‘Waar ben je. Ben je gegijzeld? In welk ING-gebouw zit je?’
‘Gegijzeld ik? Ik zou het niet weten.’
‘Jij werkt toch vlakbij het Amstelstation….’
‘Ja, in de buurt.’
‘Nou, dan is jullie receptie gegijzeld.’
‘O, zal ik even gaan kijken?’
‘Nee, niet doen. Dat is levensgevaarlijk…’
[Een collega maakt me met handen en voeten duidelijk dat een gijzelaar het op de Rembrandttoren heeft gemunt]
‘Het is niet hier hoor mam. De gijzelaar zit in de Rembrandttoren.’
‘Daar werk je toch?’
‘Nee, dat is aan de overkant.’
‘Dan is het goed. Maar het is wel erg voor de mensen daar.’
‘Het is zeker erg voor de mensen daar.’
In maart 2002 was ik gedetacheerd bij de ING-bank in Amsterdam. Op dat moment gijzelde een man de Rembrandttoren in Amsterdam. Hij protesteerde tegen de opkomst van de breedbeeldtelevisie. Vandaag gaat de film over de gijzeling in première. Gelukkig is deze vreselijke gebeurtenis nét aan mij voorbij gegaan. Een gijzeling is een van de dingen die ik niet wil meemaken in mijn leven.
¶ §Schoonmaakrituelen
Lunchtafelgesprekken zijn ideaal om je collega’s beter te leren kennen. Vandaag praten we tussen de boterhammen door over schoonmaakrituelen. Hoe doe jij het én hoe vaak?
Collega één: ‘Ik maak mijn badkamer altijd schoon in mijn nakie. En daarna ga ik direct onder de douche. Dat is lekker praktisch. Mijn kleren worden nooit nat of vies. Collega twee: ‘Ja, dat doe ik ook altijd. Dan ben ik veel sneller klaar. En douchen moet je sowieso.’
Voor hen is dit de normaalste zaak van de wereld. Ik ben er stil van. Je badkamer schoonmaken in je geboortekostuum? Ik draag altijd mijn oudste trainingsbroek. Omdat ik regelmatig knoei met chloor. En ik wil mijn goede kleren niet verpesten. Maar tegeltjes schrobben in mijn blote kont? Dat heb ik nog nooit geprobeerd. Wat gebeurt er als je antikalk knoeit op bepaalde ‘private’ lichaamsdelen? Dat spul brandt verschrikkelijk. Ai, ai, ai…
Om half zes loopt de schoonmaakster ons kantoor binnen. Het is een zwaarlijvige – tikkeltje mannelijke –dame. Hoe zou zij, de expert, haar badkamer reinigen? Met of zonder kleren? Of slechts met een schortje voor? Collega één vangt mijn blik en knipoogt. 'Het is vast ook een ik-schrob-in-mijn-nakie-type', zegt hij. Ik wil het liever niet weten.