Een huisje met een bloementuin
Dankzij Mister Tumor en de slechte prognose blijft het lastig om na te denken over de toekomst. Toch dwalen mijn gedachten steeds vaker af naar wat nog ik heel graag zou willen in mijn leven. Afgezien van volledig gezond zijn en oud en grijs worden hé, want dat spreekt natuurlijk voor zich. En dat grijs worden hoeft van mij ook pas na mijn zestigste… Vroeger (dus voor ik ziek werd) wilde ik het liefste in de grote stad wonen, maar dat is niet langer meer zo. Heel dik op nummer één staat nu een huisje met een bloementuin, omdat de muren van mijn appartement vooral in de wintermaanden ontzettend op me af komen. Hoewel ik alleen nog maar een huis kan kopen als ik de loterij zou winnen en hier het aanbod qua huurwoningen rampzalig is, blijf ik erover dromen en zie ik mezelf soms al zitten in mijn eigen tuintje omringd door bloeiende jasmijnstruiken. Niet meer dromen is automatisch iets onbereikbaar maken.
Ben een luxepoes geworden (schaam)
We zaten met zijn drieën zweterig op op de achterbank van mijn vaders Opel. Het was bloedheet en hij rookte sigaretten achter het stuur. Ergens bij Lyon kregen we de eerste ruzie doordat iemand te veel ruimte innam. Dan stopte mijn vader bij een benzinestation om een dreun, nou ja een tikje, uit te delen. Vervolgens slingerde hij de auto mét caravan via bochtige bergweggetjes naar Saint-Paul-en-Forêt, een dorpje in de Franse Côte d'Azur. Als wij bij camping Le Parc aankwamen, vertrokken wij, de kinderen én mijn moeder, direct naar het zwembad want mijn vader en tenten opzetten (de voortent en het tentje van zusjelief en mij) dat was een slechte combinatie. Het ging gepaard met veel gevloek en getier gemopper.
Op de camping was een restaurant waar ze voor een paar Franse franc je slakom vulden met in olijfolie gebakken Franse frietjes. Als ik de volgende dag 132 keer met een toiletrol onder de armen naar de wc moest lopen - vanwege de olijfolie - was dat niet erg, want kamperen was leuk. Buiten dit hield schoonmaakster én Ma Flodder look-a-like Rosa de boel brandschoon. Als je ook maar een papiersnipper op de grond liet vallen, nam ze je onder schot met een Kalashnikov. Dat gebeurde ook als je haar man pestte omdat hij maar één tand had. Op een dag vonden zusjelief en ik een dode schorpioen onder ons luchtbed die hoogstwaarschijnlijk op de vlucht was voor Rosa, maar tragisch om het leven kwam door het gewicht van onze derrières.
Er verschijnen life lists op blogs met dingen die mensen nu en in de toekomst nog willen doen. Daar denk ik momenteel over na en via die gedachtestroom, kwam ik op van alles wat ik in ieder geval nooit meer wil doen. Kamperen staat in mijn top tien, simpelweg omdat ik een luxepoes geworden ben. Hoewel ik natuurlijk nooit never moet zeggen.
Hoe de rust werd verstoord
Vriendin H. was jarig en organiseerde een high tea op een terrasje dat uitkijkt op de markt, aan de naastgelegen sokkenkraam zwierden zwart-wit gestreepte kniekousen in de wind, de groenteboer prees zeer luid zijn bananen aan, een vrouw passeerde met haar armen vol pioenrozen, een jongetje huilde omdat hij geen ijsje kreeg. Ik had mijn concentratie gericht op een sandwich met brie en tomaatjes, de viskraam verspreide een allesoverheersende zilte geur en op een kleine meter van mij vandaan werd een jongen verrot getrapt door een andere jongen. Waarom?
Voordat iemand iets kon doen rende de boosdoener tussen de marktkraampjes door een winkelstraat in, degene die geschopt werd ging strompelend een andere kant op. Ik knipperde met mijn ogen en het was weer voorbij. De groenteboer was er stil van, ik was er stil van. Rare, harde wereld.
Niet om achteloos langs te fietsen
Opeens hing er een bord naast de spoorwegovergang. Het leek op een officieel bord, niet een zelfgeknutseld kartonnen gevalletje met handgeschreven letters. Vermoedelijk heeft de gemeente het opgehangen. Het kwam niet door het officiële karakter van het bord dat ik me nog een keertje omdraaide om het eens kritisch te bekijken, maar vanwege de tekst. Er stond iets geks op, dus niet iets triviaals als: ‘Kijk uit je doppen een spoorwegovergang!’ Het was veel poëtischer dan dat.
WIL JE BLIJVEN LEVEN, WACHT DAN EVEN...
Maar waarom juist die tekst? Om mij als bijzonder suffe burger te attenderen op het naderende gevaar van de trein? Of ging het verder dan dat? ‘En wie had de tekst bedacht? Een stadsdichter of een overactieve ambtenaar met een rijmwoordenboek? Ik bleef erover nadenken, het ging niet meer uit mijn hoofd. Was het bedoeld om het onthaasten te stimuleren, omdat iedereen zo druk-druk-druk is? Of toch alleen een wijzend vingertje: ‘Hé stomme sukkels rij niet tussen de spoorbomen door, de boemeltrein naar Arnhem komt er zo aan?’
‘Ja zeg ik ben niet achterlijk’, riep ik elke keer weer als ik langs het bord fietste, al lijk ik af en toe op een gewonde smurf en trek ik mijn kleren verkeerd aan, soms ben ik best een beetje slim, poe.’ En toch zit er een kern van waarheid in. (Niet dat ik op een gewonde smurf lijk, maar in de tekst op het bordje). Het is maar net welke betekenis je eraan geeft.
Net een klein kind
Mijn hersenen geven continu onjuiste signalen af zoals: Eet nu dat complete pak minimagnums in één keer op! Ja, alle acht ijsjes, word je daar dik van? Niets mee te maken, eet op die handel. Kan mij het schelen dat het buiten min tien graden is, vreet op en snel een beetje… ’ En dan eet ik slaafs als ik ben weer al die ijsjes op. Op momenten dat ik mijn hersenen écht nodig heb, gaan ze spontaan in staking.
Ik zet mijn fiets in het fietsenrek, de zon schijnt en ik ben blij, totdat ik even naar beneden kijk: ‘Shit hé, is het weer zover? Ik lijk verdorie wel een klein kind. Sukkel, sukkel, sukkel.’ In de verte zie ik vriendin E. aankomen. ‘Valt je iets op aan mij?’, vraag ik als ze haar fiets heeft neergezet. ‘Haha’ zegt ze: ‘je hebt je jurk binnenstebuiten aan...’
Elke dag als ik me aankleed weigeren mijn hersenen spontaan dienst. Ze laten me maar wat aanklooien, terwijl ze me zouden moeten coachen: ‘Hé jij daar, joehoe, let eens op , als je een T-shirt aantrekt, moet je hem eerst op zijn kop houden. Nee, je moet niet eerst je hoofd in de linkermouw stoppen. Dat past niet. Ook niet in je rechtermouw sufferd. Néééééééé, zo zit de print aan de voorkant, armen eruit en je T-shirt even draaien om je hoofd, snap dat dan… Oh ho nou draai je het T-shirt linksom, je moet het juist RECHTSOM draaien… Uittrekken en opnieuw proberen.’
Defecte hersenen: het blijft lastig.
Let op mijn woorden
Voor mijn werk schreef ik van alles: van brochures over temper-evidente deksels tot de tekst op een zakje zoute dropharingen. Zelden kon ik mijn eigen gedachtes kenbaar maken. Ik begon een blog. Over alles wat mij bezighield en alle mooie dingen die nog op mijn pad zouden komen. Ik zou er gaan schrijven over de dag dat ik de man van mijn leven ontmoette. Ik zou er gaan schrijven over de aankoop van mijn eerste huis. Ik zou er gaan schrijven dat ik eindelijk dé baan had gevonden. Ik zou er gaan schrijven dat ik dólgelukkig was met mijn nieuwe (retro) Fiat 500. Wishfull Thinking.
De auto kwam er niet, Mister Tumor wel en dankzij hem typte ik hier alleen nog maar lelijke woorden: kanker, hersentumor, chemo, bestraling, voorverpakte kipfilet, tuinkabouter, misselijk, katheter, hemianopsie, radiotherapeut, haaruitval, afgekeurd, hoofdpijn, epilepsie , neuroloog, en het meest wanstaltige: ik-ga-dood.
Alles vóór Mister Tumor leek onbelangrijk. Ik vond die schrijfsels niet meer de moeite waard. In een windhoos van verstandsverbijstering blies ik mijn complete 2004-archief weg, maar halverwege het wegblazen van 2005 kreeg ik spijt. Die ‘gezonde’ jonge vrouw die in de regen op de trein naar haar werk stond te wachten, dromend over de toekomst, dat was ik ook. Zij moest blijven bestaan. Oók online en niet alleen in de warboel van mijn gedachten.
Hoewel ik niet meer op mijn blote voeten door het gras kan rennen en de dauwdruppels vertrappen, kan ik nog wel schrijven en dat doe ik het liefste hier. In het kader van de Blogrevival tot en met 27 mei weer minstens 1x per dag. Let op mijn woorden bloggen wordt weer hot! En reageren ook trouwens (hint).
Blogrevival? Esther legt hier precies uit waarom.
Gelijk maar weer die angst overwinnen
Eerst gewacht totdat alle auto’s heel ver uit mijn buurt waren, daarna met mijn linkerbeen voorzichtig op mijn trapper gaan staan, met mijn rechterbeen de andere trapper gevonden. Ik slingerde een ietsiepietsie bij het opstappen, maar hervond snel mijn balans. Met mijn handen keihard geknepen in het stuur. Gewoon doorgefietst en de langsrijdende auto’s rustig laten passeren. Fietsen alsof ik al jaren niets anders had gedaan, dat was mijn doel voor vandaag. De krassen op mijn stuur en fietsbel zijn blijvend, mijn fietsangst niet hoop ik. De eerste trap is getrapt.
Twee keer trots op één dag is dubbeltrots
Ik had al bijna tien kilometer gefietst mét tegenwind en ik was trots, want ik voelde me voor het eerst in ehh minstens vijf jaar zelfs een beetje fit. Ik reed op een B-weggetje met scheuren in het wegdek, steentjes en opgedroogde koeienpoep. Van de andere kant naderde een grijze auto. Heel hard. Ik twijfelde of het weggetje wel breed genoeg was voor ons tweeën. Of ik de auto kon passeren zonder slingeren en stuurfouten. Juist in dat moment van twijfel smakte ik met mijn kin op het asfalt. Boem.
Dat deed pijn. Goddank was de koeienpoep opgedroogd.
‘Bloed, ik bloed’, schreeuwde ik naar mijn moeder die voor mij fietste. Mijn bloeddruppels vormden een abstract schilderij op het wegdek. Bij een boerderij langs de weg stonden bouwvakkers. Ik kreeg pleisters van ze en mocht mijn kapotte hand, knieën en kin afspoelen bij een buitenkraan in een modderig weiland. Het is niet ideaal om licht gewond te zijn in the middle of nowhere.
Ik strompelde met mijn fiets aan de hand naar het dichtstbijzijnde dorp. Ondanks de pleister sijpelde er bloed langs mijn kin. Ook mijn knie was rood. ‘Ik heb wel nieuwe pleisters voor je’, zei de serveerster van het pannenkoekenhuis aldaar. ‘Het zijn blauwe, want het zijn keukenpleisters.’ Voor ik het wist was ik omgetoverd tot gewonde smurf. ‘En nu?’, vroeg mijn moeder. ‘Nu fiets ik naar huis, maar wel over het fietspad en niet via smalle B-wegen. Dat doe ik nóóóóóít meer.’
Tegemoetkomende fietsers keken wat vreemd toen ze me op de terugweg zagen passeren. Zou ik ook doen, een gewonde smurf zie je niet zo vaak in het wild. Het kon me alleen niets schelen. Ik was té trots. Ditmaal niet vanwege de door mij afgelegde afstand, maar omdat ik mijn pijnlijke lijf weer op de fiets had gehesen.
Nu opnieuw mijn fietsangst overwinnen.
Koekeloeren in babywinkels
Mister Tumor heeft er eigenhandig voor gezorgd dat ik geen moeder meer wil/kan worden, maar daarom heb ik niet minder plezier in mijn tanteschap. Dit najaar word ik dus opnieuw tante en om die reden heb ik me weer verdiept in hippe babymode. Een beetje tante verwent haar nieuwe nichtje /neefje natuurlijk ziekelijk. Inmiddels weet ik dat het doodnormaal is om minstens dertig euro te betalen voor een hip Imps & Elfs T-shirtje in maat 62. Dat is veel geld voor iets wat een baby’tje alles bij elkaar, slechts een paar dagen aan heeft; voor je het weet, is hij of zij er weer uitgegroeid. Een geoefende tante schrikt daar (helaas) niet meer van. Het T-shirtje moet en zal er komen, ook al vind ik het best duur.
De teksten op de shirtjes zijn soms al even extravagant als de prijs. Twee jaar geleden stonden op veel babytruitjes de woorden: ‘lief’, ’stoer’, ‘eigenwijs, of ‘a star’ is born’, die direct een onuitwisbaar stempel op een pasgeborene drukten. Nu tref ik echte doordenkertjes aan, zoals een schattig blauw rompertje met daarop de tekst: ‘Too late: sorry I took a wrong turn’. Voor een te laat geboren kindje? Of één die een keizersnee verkoos? Of een baby die eigenlijk uit een andere moeder geboren had moeten worden? Dat laatste kan nog leiden tot dorpsroddels.
In de jaren zeventig had mijn moeder het makkelijker. In mijn fotoalbum zie ik mezelf liggen op een kussen van groen fluweel. Mijn hoofd is groot, dik en vuurrood en ik heb een okergeel boxpakje aan dat daar behoorlijk bij vloekt. Over mijn wangen liep niet voor niets een spoor van tranen. Een paar foto’s later draag ik zo’n zelfde boxpakje, maar dan met oranje en bruine driehoeken op een witte achtergrond. Ook ontdek ik een zelfgehaakte variant van donkerblauw katoen. De babymode was mooi van lelijkheid, nergens een overbodig woord te bekennen. Diepzinnige teksten kwamen pas een decennium later toen ik zelf buttons ging dragen met ‘Ban de Bom’ erop.
Als ik er nog eens goed over nadenk, is er ook maar één geschikte tekst die voor alle pasgeborenen zou moeten gelden: ‘Van harte welkom kleintje!’
Liever achter de camera
Er verscheen een mailtje in mijn mailbox van tijdschrift Libelle met daarin de vraag of ik mee wilde werken aan een interview voor Libelle, onderwerp ‘bloggen en kanker’. Ja, reageerde ik meteen dolenthousiast en voor ik het wist was de afspraak geregeld. Pas later drong het tot me door dat het venijn in de staart zat: ‘graag zie ik een foto tegemoet voor de visagist’, mailde de journalist. Driedubbel O jee. Nog nooit heb ik een nachtmerrie gehad over mijn ziekenhuisopname, maar die nacht droomde ik spontaan over het incident met de ‘rodekoolbroek’: de dag dat ik onverwacht op televisie verscheen in mijn allerlelijkste, rodekoolkleurige broek. Nooit heb ik een nachtmerrie gehad over mijn ziekenhuisopname, maar nu werd ik badend in het zweet wakker om een foto…
Misschien zou het me nog lukken om het interview te cancellen? Misschien zou ik op de foto mogen met een jute zak over mijn hoofd? Misschien zou Libelle voor een body double kunnen zorgen, net als Julia Roberts had in Pretty Woman? Of anders een zwart balkje over mijn ogen? Helaas, ik kon er niet meer onder uit.
‘Ik denk dat roze bij jou wel leuk is’, zei de visagist. ‘Het moet wel wat overdreven, anders val je weg op de foto.’ En voor ik het wist had ik roze lippenstift en bijpassende roze wangetjes en leek ik op Oh Oh Chersonissos Barbie, maar dan met slechter haar. ‘Mooi’, zei de visagist. ‘mooi’, zei de fotograaf, ‘mooi’, zei vriendin L. Ik gaf ze allemaal het voordeel van de twijfel en gaf geen kick, ook niet bij het maken de close-ups, ook niet toen ik behoedzaam voor een bosje rietstengels werd geduwd voor een sfeeropname in de tuin. Pas toen ik zelf de foto’s bekeken had op de Mac van de fotograaf, haalde ik opgelucht adem. Was ik dat?, Was ik dat écht?
Vermoedelijke publicatiedatum: week 23
|
|