Opeens zijn er weer vier maanden voorbij ik leef van controle naar controle en zit ik weer tegenover de neuroloog voor een gesprek. Mijn ogen dwalen af naar zijn bureau. Daarop ligt een stuk hout. Geen ordinair plankje, maar de kern van een boomstam, precies de plaats waar de jaarringen van de boom het beste zichtbaar zijn. Het is een klein houten kunstwerk in de vorm van een mislukt ei. De voorheen ruwe houtvezels zijn helemaal glad gevijld, waardoor het een hoge aaibaarheidsfactor heeft. Ik weet niet hoe het komt, maar elke keer als ik een stuk hout zie liggen, dan moet ik het even aanraken. Hetzelfde geldt voor metersdikke boomstammen, die wil ik het liefst een knuffel geven. Het is alsof de natuur mij continu deelgenoot wil maken van haar kracht. De bladeren van bomen en planten ritselen en fluisteren: kijk om je heen, voel onze schoonheid, geniet, leef! Het gras schreeuwt hou vol. Ik lijk die prinses wel die met bomen praat.
Natuurlijk kan ik niet anders doen dan de natuur gehoorzamen, maar toch ben ik zenuwachtig als ik de neuroloog over mijn klachten vertel. Af en toe duizelig, altijd moe, zo nu en dan weer hoofdpijn en tintelingen het lijken wel speldenprikjes in mijn arm en been. Ik ga op mijn handen zitten, omdat ik bang ben dat ik anders zijn kunstwerk betast en vervolgens een geanimeerd gesprek begin met het stuk hout. Dat zou niet wijzen op een goede geestelijke gezondheid.
Het valt mee. Mijn klachten zijn niet zorgelijk, zodra het erger wordt, moet ik direct de neuroloog bellen en over vier maanden is het tijd voor het volgende controlebezoek. Het stelt me niet gerust, maar alleen een permanent geneesmiddel tegen hersentumoren zou nu mijn zorgen wegnemen. Voordat ik wegga kijk ik nog even naar het mislukte ei,
slash kunstwerk. Maandag 29 september ben ik jarig, dan krijg ik er zelf een dik verdiende jaarring bij. Ik verwacht dat het er minstens zo veel worden als in het kunstwerk.
Verhalen verzinnen is voor mij ontspanning. Toen ik in 2006 in een felgekleurde wachtkamer moest wachten op mijn dates met het bestralingsapparaat, rokkenjager
Orion voor intimi, fantaseerde ik er op los. Alles was beter dan de aandacht vestigen op mijn eigen ellende. De hoofdrolspelers in mijn verzinsels waren zonder uitzondering collega-bezoekers van de afdeling radiotherapie. Anders gezegd: collega-kankerpatiënten, maar dat klinkt zo dramatisch.
Wie was de jonge vrouw met de overvolle filofax, die naast mij stond in de rij voor de afsprakenbalie? Op de bladzijden in haar agenda was amper ruimte voor nieuwe data en omschrijvingen. Ze moest 25 keer bestraald worden. Ik dertig. We hebben geen woord met elkaar gewisseld. Toch voelde ik verwantschap. De band zonder woorden die ontstaat als twee mensen op een plaats zijn, waar ze niet horen te zijn.
De vrouw, ik schatte haar ongeveer veertig jaar oud, had niemand bij zich om haar hand vast te houden. Waarom ga je alleen naar iets dat zo ingrijpend is? Over haar schouder las ik stiekem het gekriebel in haar agenda. Ik zag de naam Jacob in rode hoofdletters met daarachter een tijdstip in een hartje. 20.30 uur.
Ook de rest van de week zag ik Jacob niet. Haar partner zou nu bij haar zijn en over haar wang strelen. In mijn fantasie was Jacob daarom gelukkig getrouwd met een andere vrouw. Het zou te veel opvallen als hij elke dag met zijn minnares naar het ziekenhuis zou gaan. Ik maakte van Jacob een overspelige zakenman in Armani-pak en manchetknopen met een familiewapen. Iemand die niet bereid is om zijn huwelijk op het spel te zetten voor een pleziertje met kanker. Een man die bang is dat zijn minnares sterft, terwijl zijn vrouw en kinderen in de tussentijd naar het tweede huis in Malaga vluchten en hem onterven. Jacob kwam er niet zo best vanaf bij mij.
Van de week had ik een paar dagen hoofdpijn. Angst is een olievlek die drijft op het water van een kristalhelder beekje. De olievlek laat zich niet eenvoudig wegspoelen. Angst ook niet. Er is niet veel voor nodig om mij bang te maken. Een beetje hoofdpijn bijvoorbeeld. Daarom heb ik Jacob weer even voor de dag gehaald. Hoe zou het nu zijn met zijn minnares? Of is hij toch haar broer, neef of beste vriend? Maar de naam van je broer zet je toch niet in je agenda met een rood hartje erbij?
Mijn fantasie draaide weer op volle toeren. Ik vergat de pijn in mijn hoofd. Jacob is best een goede kerel, misschien niet voor zijn zus/ vriendin/ minnares, maar hij weet in ieder geval hoe hij mijn aandacht moet afleiden. Dat is ook wat waard.
Vanwege kleurrijk nieuws, wordt vervolgd!
COLUMN VOOR vrouw.nl
De vriendinnen en ik zitten in een pizzeria in het historische centrum van Utrecht. Een studentikoos restaurant met rood geblokte tafelkleden van plastic waar net iets te hard,
volare oho,
cantare ohohohoho uit de luidsprekers rolt. De rest van de avond krijg ik dit niet meer uit mijn hoofd, maar de pizza's smaken prima en dat compenseert een boel. De leuke, studentikoze obers laten je eveneens vergeten dat de bediening soms een tikkeltje traag is.
Nu ongeveer vijftig procent van de vriendinnen zwanger is, of al een kind heeft, zijn de gespreksonderwerpen die wij vroeger uitwisselden boven een pizza tonno, of quattro stagioni, compleet veranderd. Het gaat niet meer puur over mannen, reizen, werk en werk, reizen, mannen, maar meestal wordt ook het horrorboek aangestipt. Hiermee bedoel ik niet de nieuwste roman van Stephen King, maar een boek waarin alle fasen van de zwangerschap uiterst nauwkeurig worden ontleed. Inknippen, uitscheuren, trosjes druiven uit je bips en bloedstolsels zo groot als tennisballen, het komt allemaal aan de orde. Ik zal niet verder ingaan op de bloedige details om het aangenaam te houden.
Op het moment dat de ene vriendin inkopt dat ze plusminus dertig weken zwanger is, dan zegt de andere vrolijk dat haar kindje nu zo groot is als een tandenborstel. Hoe weet je dat zo precies?, vraag ik nieuwsgierig. Maar dat is in feite onnodig. Het antwoord staat natuurlijk in het horrorboek. Geen aanstaande moeder kan zonder. Ik lach vrolijk mee om de amusante vergelijkingen die de auteurs van het boek trekken. Een baby versus een tandenborstel. Hilarisch. Hoe verzin je het?
Wanneer ik s avonds voor de spiegel sta om mijn tanden te poetsen, denk ik terug aan de gesprekjes boven de pizzas. Ik spoel mijn tandenborstel uit onder de kraan en zet hem in een waterglas. Even zie ik het toekomstige kindje van mijn vriendin voor me en dan verdwijnt het beeld weer. Ik heb hard gelachen om de verhalen van de (aanstaande) moeders. Dat ik deelgenoot mag zijn van hun avonturen, maakt me superblij. Toch voel ik soms een stomp in mijn maag. Door mijn ziekte is het moederschap niet voor mij weggelegd. Het 'horrorboek' open ik alleen voor anderen. En dat valt niet altijd mee. Het is mijn eigen kleine griezelverhaal.
Dit is het vervolg op terugblik (2).
Het is vannacht weer verkeerd gegaan. Ik was misselijk, zo gruwelijk misselijk. Met veel moeite verzamel ik alle projectinformatie die ik kan vinden en stop een stapel papieren in een plastic mapje. Daarna bel ik met mijn opdrachtgever om te zeggen dat ik de komende week niet kom. Te ziek om te werken. Pijn maakt verstandig.
Ik stap in de auto en rij eerst naar de huisarts. In zijn spreekkamer doe ik mijn trui uit en hij meet mijn bloeddruk op. Daarna krijg ik mijn trui niet meer aan. Ik weet niet in welke mouw ik mijn linkerarm moet steken en in welke mijn rechterarm. Wat ben ik moe, wat ben ik een kluns. Hij zegt dat ik direct een afspraak moet maken met een neuroloog. Mijn coördinatieproblemen vindt hij zorgelijk.
Daarna rij ik naar mijn werk om mijn project over te dragen aan een collega. Met mijn hand houd ik mijn broek vast, omdat hij anders van mijn heupen glijdt. De afgelopen weken ben ik minstens vijf kilo afgevallen. Ik ga achter mijn pc zitten en print een paar belangrijke e-mails. Een collega vraagt wat ik op kantoor doe. Volgens mij ben je zo ziek als een hond, zegt ze. Ga toch naar huis. Dit is niet normaal Maaike.
Ja, ja, antwoord ik. Ik moet mijn project overdragen. De documenten moeten vóór het vakbondsoverleg van volgende week compleet herschreven zijn. Het kan niet wachten. Ik kan pas rustig ziek zijn, als dit in goede handen is. Soms ben ik té plichtsgetrouw. Als ik opsta uit mijn stoel moet ik mijn hoofd vasthouden, omdat ik bang ben dat mijn schedel kapot knalt.
Een half uur later lig ik weer in bed. Met de man met de drilboor, dus gezellig is het niet. Misschien heb ik wel een nekhernia of zoiets. De hele nacht heb ik op de bank gelegen met mijn ogen open. Ik wilde wakker blijven. Opeens marcheerde de angst mijn leven binnen. Tussen het overgeven door heb ik alleen maar gehuild uit machteloosheid. Waarom helpt geen enkele pijnstiller meer tegen die stampende, pompende, dreinende en drammende hoofdpijn? Ik kan er niet meer tegen.
De volgende dag staat mijn moeder voor de deur. Ze vindt het vreemd dat ik nog steeds zo ziek ben. Je gaat nu mee naar mijn huis en ik bel de dokter. Geen discussie over mogelijk, zegt ze. Ik heb geen kracht meer om tegen te stribbelen. Voor het eerst sinds jaren slaap ik weer een nachtje in mijn oude tienerkamer. Op de plaatsen waar ooit mijn posters van Madonna en Wham hingen, is het behang licht beschadigd. Mijn huisarts komt niet langs. Morgen gaat het vast wel weer beter, denk ik.
(gebeurtenis uit 2006)
De afgelopen weken heb ik me boos gemaakt over de nieuwste reclame voor Slankie. Voor iedereen die Slankie niet kent: het is 20+ smeerkaas die smaakt naar behanglijm. Om te verhullen dat de smeerkaas niet lekker is, stoppen ze er sambal in, tuinkruiden of nog erger: komijnzaad. Slankie heeft maar één voordeel: je wordt er in eerste instantie niet dik van. In tweede instantie ga je zo sterk verlangen naar Bettine Blanc, Old Amsterdam en een bol smeuïge buffelmozzarella, dat je na een Slankie-kuurtje snel veel zwaarder wordt, dan je al was.
In de reclame zie je een onhandig meisje dat allerlei domme dingen doet. Ze kleedt zich uit in een pashokje zonder het gordijn goed dicht te doen, ze struikelt en pleine public enzovoort. Het doet me denken aan Bridget Joness Diary. Vernieuwend in 1996, achterhaald in 2008. Desondanks schuilt mijn ergernis niet in de quasi-komische scènes.
Mijn ergernis wordt opgewekt door het meisje met de gitaar. Zij begeleidt alle scènes met gitaarmuziek en een bijpassend lied. Ze zingt het volgende: Maar gelukkig heb ik altijd nog een goed lijf en dus een goed leven.
Een goed lijf en dus een goed leven. Dat is wel heel kort door de bocht. Ik heb een hersentumor en daardoor epilepsie, een visuele handicap enzovoort. Van een goed lijf is absoluut geen sprake, maar van een slecht leven evenmin. Ik heb zelfs een héél goed leven, omdat ik het als geen ander op waarde kan schatten. De nieuwe pay-off van Slankie, goed lijf, goed leven is wat mij betreft verkeerd gekozen. Slankie blijft een viezig dieetproduct en biedt zeker geen levensgeluk in een plastic kuipje. Trap daar niet in!
Het reclamebureau heeft vast de opdracht gekregen om het imago van Slankie op te frissen. In een tijd waarin we in tlevisiereclames botsautootjes zien rondscheuren op een maandverbandje om de werkzaamheid van de beschermingszone te demonstreren, is het hele concept misschien niet eens zo slecht bedacht. Maar of het nodig is? Houd het gewoon bij het oude: Wat er niet aankomt, hoeft er ook niet af. Daar draait het om bij een dieetproduct.
Mensen met een goed lijf zijn niet altijd gelukkig, en mensen met een slecht lijf niet altijd ongelukkig. Het hangt niet alleen van je gewicht af, of je wel of niet lekker in je vel zit. Daar komen veel meer dingen bij kijken. Goed lijf, goed leven. Het slaat als een tang op een vet varken.
Tot slot: het spotje is heel makkelijk te vinden op YouTube.
De trein komt met piepende remmen tot stilstand. De man van een collega zegt gedag, maar ik herken hem niet. Waar heb ik vanochtend mijn fiets gelaten? Ik vind hem terug in het rek naast een blauwe kinderfiets. Met moeite krijg ik het slot open. Het mannetje met de drilboor is nog steeds hyperactief. Rot op, roep ik weer. Ik fiets eerst naar mijn moeder om bij haar in de tuin even bij te komen. Mijn appartement heeft een plat dak en is nog warmer dan de treincoupé.
Een half uur later lig ik op het koele leer van mijn moeders bank. Een kussen onder mijn bonkende hoofd. De strakblauwe zomerlucht verandert in een donkere sterrenhemel. Ik zie duizenden flikkerende lichtpuntjes. Ook als ik mijn ogen dichtdoe. Alsof ik de zon te lang rechtstreeks heb aangekeken. Heb je wel iets gegeten?, vraagt mijn moeder. Ik prop op commando een banaan en een sinaasappel in mijn mond. Het mannetje met de drilboor is stil. Ik wil naar huis.
Het gaat wel weer, zeg ik. Het komt gewoon door de warmte, daar kan ik nooit goed tegen. Mams kijkt me bezorgd aan. Ik wil op mijn fiets stappen, maar voel me opeens erg misselijk. Het lijkt wel of ik teveel heb gezopen. De sinaasappel en banaan belanden in vloeibare vorm in de lavendelstruik. Mijn moeder fietst met me mee naar huis. Ik voel me weer een klein kind dat wordt opgehaald van school. Straks vraagt ze nog of ik een goed cijfer heb gehaald voor mijn rekentoets. Een vraag die ik meestal met nee beantwoordde.
Thuis sta ik een uur onder een lauwe douche. Ik knap op van het frisse water dat over mijn huid glijdt. De hoofdpijn is verdwenen, maar ik ben niet gerustgesteld. Zou ik echt overspannen zijn? Morgen draag ik mijn project over aan mijn collega, beslis ik resoluut. Ik moet mijn detachering een tijdje stopzetten. Alleen dan kan ik het mannetje met de drilboor voorgoed het zwijgen opleggen. Het betekent wel dat ik de aan mij beloofde salarisverhoging misloop. Een verstandig stemmetje in mijn achterhoofd zegt dat ik daar lak aan moet hebben.
Ik wil alleen nog maar een briefje van die allesoverheersende eikel met de drilboor mannetje is een te vriendelijk woord - met de volgende tekst:
Sorry voor de geluidsoverlast, maar ik ben nu klaar met mijn werk. Bedankt voor je begrip. Waarna ik heel hard The End roep en een zucht van verlichting slaak.
Dit is een terugblik uit 2006.
|
|